Dossier IV: Zijn er grenzen aan de markt?

De marktsamenleving zoals we die nu kennen, is een relatief recent fenomeen. Zo werd er in het feodale Engeland grond in gemeenschap gehouden, waarvan de zorg en de opbrengst door de feodaal heerser en de gemeenschap gedeeld werd. In de 20ste eeuw nog bestond er een tegenstelling tussen de Westerse markteconomie en de socialistische planeconomieën waar de vrije markt een veel kleinere rol was toegedicht. Tegenwoordig zijn de principes van de markt steeds meer een vanzelfsprekendheid geworden, zelfs in landen die van oudsher een planeconomie hadden zoals China en Rusland. Wateen discussie was over twee (schijnbare) tegenstellingen, is verworden tot de vraag waar we de markt wel of niet zijn werk laten doen.

Op uiteenlopende gebieden lopen we tegen de vraag aan in welke mate de markt een rol mag spelen. Zo mag je niet je eigen organen verkopen, maar mag je wel je lichaam verkopen, zij het tijdelijk als prostituee. Zo waren de tandartskosten tot begin van dit jaar aan regels gebonden en zijn ze nu vrij. Zo is er in de zorg al jaren sprake van verder oprukkende marktwerking. Hoe bepalen we waar deze grenzen liggen, en op welke gebieden we wel of geen marktwerking toelaten?

Wat zijn de grenzen van wat we vervolgens van de markt kunnen verwachten? In de markt zit de impliciete aanname dat mensen met hun handelen hun eigen welzijn zoveel mogelijk vergroten. Door de vrijheid die iemand heeft op de markt wordt hij in staat gesteld zijn eigen keuzes te maken en zodoende, binnen zijn mogelijkheden, zijn welzijn te maximaliseren. Op dezelfde manier wordt de koppeling gelegd tussen welvaart en economische groei. Maar is dit wel zo? Neemt de welvaart wel toe als de economie groeit en wel rol speelt de markt hierbij?

En heeft de markt nog bijeffecten (positieve dan wel negatieve) in andere domeinen van ons leven? Zo werd er jarenlang gedacht door denkers dat commerciële belangen de omgangsvormen verbeterde en beschaafdere mensen voortbracht, terwijl andere denkers beargumenteerden dat een marktsamenleving juist het slechtste in mensen naar boven bracht. Als dit laatste juist is, kunnen we dat dan door toezicht kanaliseren? Dit laatste bespreken we in het laatste dossier, Zijn er grenzen aan toezicht op de markt?