Rechtvaardige eigendom

Van wie is de aarde? Een fundamentele vraag. Wanneer mag iemand de aarde of de vruchten van de aarde als zijn eigendom beschouwen? Is een samenleving waarin iedereen zich een stukje van de aarde kan toe-eigenen een rechtvaardige samenleving?

Als we de 17e eeuwse filosoof John Locke moeten geloven mag iedereen die zijn arbeid mengt met de aarde of de vruchten van de aarde zich daar de eigenaar van noemen. De appels van een boom, of een vrij rondrennend hertje zijn niets waard voor een mens zonder dat iemand ze met zijn arbeid vermengt. Zodra iemand ze wel met zijn arbeid vermengt,  voegt hij waarde toe. Omdat die waarde vele malen groter is dan het onaangetaste, en omdat iemand eigenaar is van zijn eigen arbeid, mag hij zich daarna de rechtmatige eigenaar noemen van dat waar hij zijn arbeid mee vermengd heeft.

Volgens deze redenering kunnen we ons volgens Locke een appel toe-eigenen, door hem te plukken van een boom. Maar we kunnen ons ook een stuk land toe-eigenen door het in gebruik te nemen. De voorwaarde die Locke stelt is dat we niet meer in gebruik mogen nemen dan we voor onszelf kunnen gebruiken, en dat we voldoende land, van gelijkwaardige kwaliteit overlaten voor de anderen. Het land of product dat we ons toe-eigenen onttrekken we van de ‘commons’, niemandsland. Of beter gezegd: ‘iedereensland’, want iedereen mag er gebruik van maken.fish

In de tijd van Locke was de kolonisering van Amerika in volle gang, en Locke gaf een voorzet op de manier waarop de Engelse kolonisten om moesten gaan met de eigendom van wat in hun ogen een eindeloze voorraad aan woeste onontgonnen commons waren. De oorspronkelijke Amerikaanse bewoners gebruikten het land in ieder geval niet zoals Locke het voor ogen had. Toe-eigening van land gebeurde niet door op buffels te jagen, maar door er te zaaien en te oogsten, aldus Locke.

Tegenwoordig is het moeilijk om nog land aan te wijzen dat als commons zou kwalificeren. Als land niet in privé-bezit is, dan is er vaak een overheid die een juridische aanspraak maakt op onontgonnen land. Zelfs de internationale wateren zijn sinds de jaren ’90 meer en meer onder jurisdictie gebracht van zogenaamde regionale visserijorganisaties (RVO’s), zodat niet iedereen zomaar mag gaan vissen op volle zee, ook al behoort die volle zee aan geen enkel land toe.

Met het verdwijnen van de commons verschuift ook de eigendomsvraag van het vraagstuk van toe-eigening via dat van herverdeling naar het meest centrale vraagstuk van rechtvaardigheid. De vraag was: op welke manier kan rechtmatige eigendom tot stand komen? Als we voldoende land (of zee) in de commons hebben, dan komt een rechtvaardige samenleving tot stand als iedereen op Lockeaanse wijze ervan gebruikt wat hij nodig heeft (het verschil in individuele talenten of handicaps niet meegerekend). Nu we bijna alle commons een (juridisch, niet per se Lockeaans) rechtmatige eigenaar hebben, wordt de vraag eerder: is het rechtvaardig dat de mensen, die toevalligerwijs in de situatie zijn gekomen dat ze niets hebben, gecompenseerd worden door de mensen die wel iets hebben? Zo ja, hoe moet dit dan? En om het verhaal nog iets gecompliceerder te maken: Locke heeft het slechts over eigendom van land en de vruchten van het land, maar is het vanuit het oogpunt van rechtvaardigheid ook nodig om mensen te compenseren voor verschillen in individuele capaciteiten en voorkeuren? De komende weken staan we stil bij wat rechtvaardigheid betekent voor het vraagstuk van herverdeling, aan de hand van wat modernere filosofen.