De Schaar in Schaarste

Is voeding schaars? Ja, kun je zeggen, als je berichten hoort over wederom een hongersnood in Afrika. Nee, kun je zeggen, als je berichten hoort over de hoeveelheid goed voedsel dat dagelijks van de supermarkten naar de vuilverwerking gaat. Is er dan schaarste omdat overvloed op de ene plek niet te compenseren is met tekorten op een andere plek? In het westen dreigen we binnenkort te kampen te hebben met een tekort aan chocolade. De wereldwijde productie van cacaobonen kan de toegenomen vraag naar chocolade, vooral vanuit China, niet bijbenen. Daarnaast dreigt de productie van cacaobonen terug te lopen, omdat er minder mensen geïnteresseerd zijn om cacaoboer te worden. Naar verwachting daalt het aantal cacaoboeren in Afrika de komende tien jaar van drie miljoen naar twee miljoen[1]. Zijn cacaoboeren dan schaars?
Vincent-van-Gogh-Sunset-graanvelden-in-de-buurt-van-Arles-i26763

 

De term schaarste wordt in verschillende contexten gebruikt met telkens een wisselende betekenis. Een eerste betekenis is het feitelijke tekort. Bijvoorbeeld: olie is schaars, want die raakt op. De schaarste van grondstoffen en de dreigende uitputting van de aarde vormen een belangrijk onderwerp dat gelukkig op verschillende agenda’s een plek weet te veroveren. Over deze schaarste, die ik absolute schaarste noem, gaat dit artikel echter niet. Dat is meer het onderzoeksterrein van ecologen, geologen of biologen waar technische analyse op uitgevoerd kan worden. In dit paper wil ik het begrip schaarste aan een filosofische analyse onderwerpen waarbij ik het volgende citaat van Lionel Robbins tot uitgangspunt neem: ‘Scarcity does not mean mere infrequency of occurence. It means limitation in relation to demand’ (Robbins, 1935:46).

Dit citaat van Robbins geeft mooi aan dat schaarste door mensen wordt veroorzaakt, althans dat menselijke verhoudingen daarbij een belangrijke rol spelen. Daarbuiten zegt dit citaat – nog – niets en biedt het dus alle ruimte voor nader onderzoek naar het begrip schaarste. Hiervoor maak ik gebruik van door mij geselecteerd werk van de economen Lionel Robbins en John Maynard Keynes, van de filosofen Hans Achterhuis en Rutger Claassen en van de politicoloog Nicolas Xenos.

 

Drie begrippen met eenzelfde naam? 

In de inleiding heb ik aangegeven dat ik vooronderstel dat het begrip schaarste meerduidig van karakter is, dat het om verschillende begrippen gaat. Ongelukkigerwijs, zou je kunnen zeggen, heeft ‘men’ ze dezelfde naam gegeven, wat misverstanden en verwarring kan opleveren. De vraag is echter of dit een juist beeld schetst en of er niet toch een belangrijke samenhang is tussen de op het eerste gezicht zo verschillend ogende begrippen van schaarste.

In de navolgende paragrafen probeer ik daartoe de volgende vragen te beantwoorden:

1. Wie spreken over schaarste en vanuit welke discipline (filosofen, economen, politicologen)?

2. Welk type vragen stellen zij, waar leggen ze de nadruk op en wat is hun doel?

3. Wat zijn de relaties tussen de verschillende schaarste begrippen?

 

Concrete Schaarste

1930, John Maynard Keynes betoogt in zijn essay Economic Possibilities for our Grandchildren dat, binnen 100 jaar, ‘mankind is solving its economic problem’ waardoor voor het eerst in de geschiedenis van de mensheid de ‘struggle for subsistence’ zal kunnen worden overwonnen (Keynes, 1963:362).  Lag volgens Keynes hiermee nu ook een overwinning op de schaarste binnen handbereik?  Keynes neemt zelf het woord schaarste niet in de mond, maar als we schaarste bezien in termen van al dan niet tijdelijke tekorten aan bijvoorbeeld voedsel of huisvesting, dan spreekt Keynes nadrukkelijk over de mogelijkheid om die schaarste te overwinnen. Claassen noemt dit ‘concrete schaarste’, waarmee is uitgedrukt: ‘het gaat om  een concreet, apart geval van schaarste, dat opdoemt voor een bepaalde persoon of groep ten opzichte van bepaalde middelen’ (Claassen, 2004:38).

De hoge werkloosheid en bittere armoede in zijn tijd beschouwde Keynes als een tijdelijk probleem. De accumulatie van kapitaal en de technische vooruitgang hebben ondanks een enorme bevolkingsgroei in de 19e en begin 20e eeuw in het Westen geleid tot een verviervoudiging van de levensstandaard en een groei van kapitaal ‘far beyond a hundredfold of what any previous age had known’ (Keynes, 1930:360). Dit sinds 1700 CE ingezette groeitempo van de economie en de verwachting van Keynes dat de bevolking  ‘de komende 100 jaar’ niet meer explosief zal toenemen leidt hem tot de rekenkundige conclusie dat er een staat van overvloed te bereiken zal zijn.

Hier eindigt Keynes zijn economisch getinte betoog en gaat hij verder in meer filosofische zin. Hij uit zijn zorgen over de noodzakelijke omschakeling die de mens zal moeten maken wil het einde van het ‘economic problem’ wel een voordeel zijn. Want hoe moet je bijvoorbeeld je vrije tijd zien in te vullen, lopen we niet het risico van een ‘general nervous breakdown’ (Keynes, 1930:361)?  En is het niet zo dat de behoeften van de mens oneindig zijn en uiteindelijk toch onbevredigbaar? Keynes maakt hierbij onderscheid tussen twee soorten behoeften: ‘those needs which are absolute in the sense that we feel them whatever the situation of our fellow human beings may be, and those which are relative in the sense that we feel them only if their satisfaction lifts us above, makes us feel superior to, our fellows. Needs of the second class, those which satisfy the desire for superiority, may indeed be insatiable; for the higher level, the higher still are they. But this is not so true of the absolute needs – a point may soon be reached, much sooner perhaps than we are all of us aware of, when these needs are satisfied in the sense that we prefer to devote our further energies to non-economic purposes.’ (Keynes, 1930:361).

Keynes volgt hier een vergelijkbare lijn als de liberaal John Stuart Mill die ook de mogelijkheid voorzag van een toekomst zonder concrete schaarste, hetgeen hij beschreef met zijn theorie van de ‘stationary state’: ‘Mill postulated an end to the dynamic of need and economic growth, (…).’ (Xenos, 1987:234). Zowel Mills als Keynes waren optimistisch over de mogelijkheid die de mens heeft zich te ontdoen van de oneindige behoeften, van de in de woorden van Keynes ‘relative needs’. Zo stelt Keynes: ‘We shall be able to rid ourselves of many of the pseudo-moral principles which have hag-ridden us for two hundred years, by which we have exalted some of the most distasteful of human qualities into the position of the highest virtues’ (Keynes, 1930:62).  Keynes geeft hiermee met name Mandeville, maar ook Smith en Hume, een veeg uit de pan, waar zij de ondeugden tot deugd hebben verheven met het argument dat zij voor welvaart voor allen zorgen. In zijn Principles of Political Economy keert ook Mill zich hiertegen: ‘(…) the best state for human nature is that in which, while no one is poor, no one desires to be richer, nor has any reason to fear being thrust back, by the efforts to push themselves forward’ (geciteerd in Xenos, 1987: 234).

Maar hoe dan te bereiken dat de mens niet langer gestuurd wordt door zijn onbevredigbare ‘relative needs’?  Mill verwacht dat een intellectuele elite in staat moet zijn ‘(to) steer society towards the benefits of a stationary state, and puts off into this postscarcity future the full realization of the participatory society he envisions’ (Xenos, 1930:234). Keynes denkt dat er belangrijke veranderingen in de morele code zullen ontstaan zodra ‘the accumulation of wealth is no longer of high social importance’ (Keynes, 1930:362).

Keynes’ veeg uit de pan blijkt nu wel een dubbele bodem te hebben, want om op het punt uit te kunnen komen dat de accumulatie van welvaart niet langer sociaal zo belangrijk is moeten we volgens Keynes nog tenminste honderd jaar ons zelf wijs maken dat ‘fair is foul and foul is fair; for foul is useful and fair is not. Avarice and usury and precaution must be our gods for a little longer still. For only they can lead us out of the tunnel of economic necessity into daylight.’ (Keynes, 1930:364)

De honderd jaar van Keynes zijn nog niet voorbij, dus moeten we ons oordeel over de juistheid van zijn profetie nog even opschorten, maar laten we in de tussentijd ons buigen over de vraag wat de effecten zijn van onbevredigbare en steeds maar uitdijende behoeften en hoe dit kan leiden tot wat Xenos in navolging van Hirsch ‘social scarcity’ noemt (Xenos, 1930:228). Rutger Claassen noemt dit ‘algemene schaarste’, wat hij zich voorstelt ‘als een oneindige keten van gevallen van concrete schaarste, als een continue en onafzienbare stroom van elkaar opvolgende concrete schaarste situaties; als een eeuwig tekort.’ Voor algemene schaarste is volgens Claassen een oplossing niet goed mogelijk, tenzij ‘een principieel andere visie op menselijk handelen wordt aangenomen’ (Claassen, 2004:39). Dit lijkt op de insteek van Keynes (wijziging van de morele code). Reden te meer om in de volgende twee paragraven deze algemene schaarste en het daaraan ten grondslag liggende menselijk handelen nader te onderzoeken.

 

Algemene schaarste en de mimetische begeerte

Hans Achterhuis heeft deze handschoen opgepakt in zijn boek Het Rijk van de Schaarste.  Hij bestrijdt de lezing dat schaarste een natuurfeit is en dat de moderne maatschappij de schaarste zou kunnen overwinnen. Hij stelt dat schaarste aan de basis ligt van de moderne maatschappij en dat deze ‘de schaarste niet (heeft) overwonnen maar juist (heeft) gecreëerd’. (Achterhuis, 1988:12-13) Achterhuis duidt  Hobbes als eerste denker die, in de Leviathan, een begrip van schaarste systematisch ontwikkelt, ook al gebruikte Hobbes het woord zelf niet. Vervolgens behandelt Achterhuis werken van Locke en Rousseau die volgens hem ‘geconstrueerd (…) zijn rond vele impliciete en expliciete verwijzingen naar het wereldbeeld  van hun voorganger (Hobbes, cv)’ (Achterhuis, 1988:14).

Achterhuis’ vertoog over de schaarste focust zich op twee punten. Enerzijds wil Achterhuis laten zien dat de politieke en juridische inrichting van de moderne maatschappij, met name de wijze waarop op basis van de eigendomstheorie van Locke de private eigendom is geregeld, de voedingsbodem is voor de algemene schaarste. Anderzijds is het wat hij in navolging van René Girard de mimetische begeerte noemt het menselijk handelen dat door deze voedingsbodem voortdurend versterkt wordt. Wedijver gevoed door jaloezie en afgunst wordt daardoor de belangrijkste drijfveer van menselijk handelen. Achterhuis concludeert: ‘De hoeveelheid van de te distribueren middelen mag echter toenemen zoveel men wil, de schaarste zal er zeker niet door worden opgeheven. Die verschijnt via de mimetische begeerte steeds op een ander niveau.’ (Achterhuis, 1988:119).

Het gaat volgens Achterhuis bij schaarste dus zowel om een ‘maatschappelijk als psychologisch mechanisme’ en hij betoogt dat zich hierin het grote verschil tussen de traditionele en moderne maatschappijen toont.  Hij stelt ‘dat de instituties in traditionele maatschappijen de schaarste probeerden uit te bannen, terwijl moderne instituties de schaarste juist oproepen en uitbreiden’ (Achterhuis, 1988:62). In dezelfde lijn stelt Xenos dat ´the postulate  (of scarcity, cv) depends (…) upon a conception of human needs that (1) emphasizes their social dimension (…) and (2) encourages their rational pursuit as a socially desirable project´ (Xenos, 1987:226).  Xenos citeert Macpherson[2] die er op wijst dat ‘What was new, from the seventeenth century onwards, was the prevalence of the assumption that unlimited desire was rational and morally acceptabel. When this assumption is made, the real task of man becomes the overcoming of scarcity in relation to unlimited desire.’ (Xenos, 1987:226), met welk citaat de ook door Achterhuis geconstateerde betekenis van de overgang van de traditionele maatschappij naar de moderne kapitalistische maatschappij kernachtig wordt geduid.

Het centrale probleem dat Achterhuis hierin ziet is dat deze in zijn ogen tot mislukken gedoemde voortdurende pogingen om de schaarste te overwinnen leiden tot verschillende vormen van uitputting. Claassen volgt hem daarin en verwoordt het als volgt: ‘de hulpbronnen worden kwetsbaar- het eigen fysieke en mentale gestel leidt onder onverschilligheid en competitiedwang, de natuur onder uitputting en vervorming. We kunnen moeilijk ontkennen dat mensen aan dit psychisch, sociaal en natuurlijk kapitaal óók behoefte hebben. Deze behoeften kunnen echter in het grote ‘systeem van bevrediging’ dat de economie is niet bevredigd worden’ (Claassen, 2004:194).

Xenos ziet ook het verband tussen wat hij het postulaat van de schaarste noemt en de theorieën van Hobbes en Locke, maar, zo betoogt hij, ‘To gain a hold on the origins of the scarcity postulate in political theory, it is necessary to look not to Hobbes or Locke, as does Macpherson (en Achterhuis, cv), but to the eighteenth century and the Scottish Enlightenment.’ (Xenos, 1987:226).

Hier gebeurt iets interessants. Daar waar Achterhuis en Macpherson de moderne instituties bepalend achten voor het ontstaan en instandhouding van  een eindeloze wedijver, laat Xenos zien hoe nu juist de wedijver bepalend is voor hoe de moderne instituties zijn gevormd.

Xenos focust op het als universeel geldend geduide begrip van schaarste waarop ‘modern economics is grounded’, zoals dat door  Lionel Robbins beknopt is verwoord: ‘scarcity of means to satisfy given ends is an almost ubiquitous condition of human behaviour’. Xenos betoogt dat de origine van dit postulaat is terug te voeren op het denken van Adam Smith en David Hume (Xenos, 1987:225), welke laatstgenoemde volgens Xenos ‘the first theorist (is) to base himself explicitly upon the presupposition of scarcity in his discussion of the origins of government and justice’ (Xenos, 1987:227).  Hume erkende de dynamische werking van de oneindige behoeften en concludeert tot de noodzaak van een juridisch systeem dat de vruchten daarvan kan veilig stellen. Smith komt tot dezelfde conclusie maar realiseert zich dat alleen wedijver gebaseerd op ongelijkheid welvaart kan brengen: ‘Emulation based upon inequality of wealth, which is seen here as necessary because only such a social system is capable of such material advances, entails the need for laws and the coercive force of government’ (Xenos, 1987:231) .

 

Algemene schaarste en het maken van keuzes

Wat maakt nu eigenlijk dat het postulaat van de schaarste dat Xenos behandelt als universeel geldend wordt geduid? Hiervoor moeten we naar de tweede helft van de negentiende eeuw, waar de economen Jevons, Walras en in het bijzonder Menger, onafhankelijk van elkaar de marginale nutstheorie ontwikkelden: ‘Rather than wealth the new economics took as its subject matter the relationship between individual wants or desires and the means available to satisfy them’ (Xenos, 1987:235).  Het grote verschil met de klassieke economische theorieën is dat de marginale nutstheorieën uitgaan van subjectief bepaalde waardes gebaseerd op individuele psychologische  gronden. Xenos citeert Menger[3] (Xenos, 1987:236):

Wherever men live, and whatever level of civilization they occupy, we can observe how economizing individuals weigh the relative importance of the separate acts leading to the more or less complete satisfaction of each need, and how they are finally guided by the results of this comparison into activities directed to the fullest possible satisfaction of their needs (economizing).

Het principe van de marginale nutstheorie is dat iemand verondersteld wordt rationeel te handelen als hij zijn behoeftes bevredigt door zo min mogelijk middelen op te offeren. Het gaat om een uitruil van subjectieve waardes uitgedrukt als nut, waardoor de neo-klassieke economen ‘were able to provide a fully quantified theory of  “the economy” applicable universally to any society in human history (Xenos, 1987:236)[4].

Xenos merkt op dat Mengers observaties ‘acknowledge that the market environment is one of relative magnitudes of needs and resources, rather than one of fixed needs and finite resources’ (Xenos, 1987:236), waarmee ik uitkom op het uitgangspunt dat ik in de inleiding van dit paper ontleende aan Robbins: ‘Scarcity does not mean mere infrequency of occurence. It means limitation in relation to demand’ (Robbins, 1935:46). Dit uitgangspunt is in de voorgaande paragraven overeind blijven staan in de analyse over concrete schaarste en in de analyse van algemene schaarste en de mimetische begeerte. Het woordje ‘demand’ is hierbij de variabele gebleken. Zo hebben we gezien dat ‘demand’ enerzijds gevoed wordt door dynamische ontwikkeling van behoeften, door de mimetische begeerte, en anderzijds door de maatschappelijke instituties.

Volgens Robbins is schaarste  er altijd, ook als je, wat Achterhuis voorstelt, weer gemeenheden terugbrengt of als je, wat Claassen voorstelt, bepaalde behoeften aan erkenning buiten het ‘economische’ probeert te bevredigen. Robbins repliceert dit soort gedachten door te stellen: ‘There is still an economic problem of deciding between the “economic” and the “non-economic”.’ (Robbins, 1935:11). Wat overblijft is dan ons af te vragen hoe wij in een situatie van schaarste onze keuzes maken en dat is precies het punt dat Robbins aansnijdt in zijn essay. Hij definieert ‘Economics’ als ‘the science which studies human behaviour as a relationship between ends and scarce means which have alternative uses’ (Robbins, 1935 16). De mens wordt geacht hierbij rationele keuzes te maken, vandaar dat ook vaak gesproken wordt over ‘rational economics’. Robbins merkt daar over op: ‘Is it not correct to describe the subject-matter of Economics as the rational disposal of goods?’ (Robbins, 1935:90/91).

Maar handelen mensen wel uitsluitend rationeel, is dat niet een zeer algemene psychologische aanname? In het vierde hoofdstuk van zijn essay wijdt Robbins hier over uit. Rationeel handelen is niet gelijk te stellen met moreel handelen, want de economische analyse is ‘wertfrei in the Weber sense’ (Robbins, 1935:91). Rationeel handelen is in de regel consistent handelen, maar kan ook inconsistent blijken te zijn in situaties waar de doelen niet consistent zijn, of dat er niet volledige informatie beschikbaar. Rationeel handelen is doelmatig handelen, gericht op een maximale bevrediging van behoeften die zowel materiëel als immateriëel kunnen zijn. Robbins bestrijdt dan ook de ‘oft-reiterated accusation that economics assumes a world of economic man concerned only with money-making and self-interest’ (Robbins, 1934:94) en hij vervolgt: ‘your business man is a much more complicated fellow’ (Robbins, 1935:97). Robbins benadrukt dat een veelheid aan factoren buiten de geldelijke waardering uiteindelijk bepalend zijn voor de subjectieve waardering die de kern vormt van de marginale nutstheorie.  De mens is meer dan de homo economicus, dat niet meer is dan een ‘expository device – a first approximation used very cautiously at one stage in the development of arguments which in their full development, neither employ any such assumption nor demand it in any way for a justification of their procedure – it is improbable that he would be such a universal bogey.’ (Robbins, 1935:97).

 

Wat moeten we doen met schaarste?

In het bovenstaande heb ik getracht de gelaagdheid van het concept schaarste bloot te leggen. Het gaat om meer dan alleen een al dan niet tijdelijke wanverhouding tussen middelen en doelen. Schaarste kan niet zinvol bezien worden in afzondering van de, zoals Achterhuis dat aanduidt, ‘maatschappelijke en psychologische mechanismen’.

Maar, hoe moeten we nu omgaan met schaarste? Achterhuis gelooft niet in de mogelijkheid om de schaarste binnen de bestaande instituties te overwinnen en pleit voor hervorming door aanpassing van de huidige eigendomsstructuren, met name door de herintroductie van bepaalde vormen van gemeen eigendom. In de visie van Achterhuis verhindert gemeen eigendom, dat de kat van de mimetische begeerte op het spek gebonden wordt. Daarnaast bepleit Achterhuis, net als Claassen, een andere levenshouding. Achterhuis ziet mogelijkheden in het door Foucault ontwikkelde begrip van vrijheidspraktijken. Xenos brandt zich in het door mij behandelde artikel niet aan bespiegelingen over al dan niet noodzakelijke hervormingen van de maatschappelijke instituties. Claassen ziet minder problemen in de maatschappelijke instituties en laat ook die ongemoeid. Hij focust zich op het menselijk handelen en bepleit een pluralistische levenshouding, ergens tussen utilisme en ascese, waarbij hij in The Human Condition (1958) van Hannah Arendt mogelijkheden ziet om de behoefte aan erkenning die ten grondslag ligt aan de mimetische begeerte te bevredigen door gemeenschapsbanden aan te gaan en te versterken.

Amsterdam, 20 maart 2013

Christiaan Vos

 

20120320_TRIAS_De Schaar in Schaarste

 

Literatuur

 

Achterhuis, H. (1988). Het Rijk van de Schaarste, Antwerpen: Veen Bosch & Keuning uitgevers n.v.

 

Claassen, R. (2004). Het Eeuwig tekort, een filosofie van de schaarste, Amsterdam: Ambo

 

Keynes, J.M. (1930) ‘Economic Possibilities for our Grandchildren’ in John Maynard Keynes,

Essays in Persuasion, New York: W.W Norton & Co., 1963, pp. 358-373.

 

Robbins, L. (1935). An Essay on the Significance of Economic Science, second edition,

revised and extended, reprint 1946, London: MacMillan and Co., Ltd.

 

Xenos, N. (1987) ‘Liberalism and the Postulate of Scarcity’ in Political Theory, Vol. 15 No. 2

May 1987 p. 225-243

 



[1] Bron: NRC Handelsblad vrijdag 7 december 2012, Janneke Donkerlo, Duurzame Cacao is Louter Business

[2] C.B. Macpherson, Democratic Theory: Essays in Retrieval (Oxford: Clarendon Press, 1973), 17-18, gelezen in Xenos, 1987: 226

[3] Carl Menger, Principles of Economics, trans. By James Dingwall and Bert F Hoselitz (New York and London: New York University Press, 1981), 94-99

[4] Xenos relativeert deze claim en voegt daaraan toe: ‘a claim that has not gone unchallenged by those who see markets as historically or culturally specific. In any event, the claim rests squarely on the scarcity postulate.’ (Xenos, 1987: 236)