Immanuel Kant over de grenzen van de vrije markt (3/3 en Nawoord)

In het vorige hoofdstuk hebben we geconcludeerd dat we, om te bepalen of een markttransactie moreel juist is, we ook moeten kijken naar de inhoud van die transactie. Zo zijn er bepaalde groepen goederen of diensten die de menselijke integriteit of menselijke waardigheid lijken aan te tasten, zoals prostitutie, of de handel in organen. Maar ook de omstandigheden waaronder ‘gewone’ (geaccepteerde) arbeid wordt geleverd lijken van belang als we beoordelen of  we dwang van aanvaardbare proporties vinden.

Deze grens lijkt te liggen in het begrip menselijke waardigheid. Aan de hand van het de hierboven beschreven categorische imperatief wil ik hieronder proberen om deze grens uit te werken.

Het corruptie argument

Waarschijnlijk één van de bekendste, maar ook één van de meest  omstreden, onderzoeken die het corruptie argument zou moeten ondersteunen is in 1970 gedaan door de Britse socioloog Richard Titmuss. Hij heeft een boek geschreven dat getiteld is The Gift Relationship, waarin hij het verschil beschrijft tussen het Britse en het Amerikaanse systeem van bloeddonatie. In Engeland is het doneren van bloed volstrekt op vrijwillige basis, terwijl er in de Verenigde Staten een markt omheen is ontstaan.

Titmuss betoogt in zijn boek dat het Britse systeem beter werkt dan het Amerikaanse. Hij voert veel gegevens aan die moeten ondersteunen dat, ook al zou het Amerikaanse systeem efficiënter moeten zijn (het is immers een markt), het te leiden heeft onder tekorten, verspilling en een groter risico op besmet bloed. (Titmuss, 1971: 231-232) Bovenop deze efficiëntieverschillen plaatst Titmuss een moreel argument. Hij beweert dat de commodificatie van bloed leidt tot een erosie van het plichtsbesef van mensen om bloed te geven. (Sandel, 2012: 123)

Titmuss maakte zich niet alleen maar druk om de verminderde bereidheid om bloed te geven, maar had een bredere zorg: hij dacht dat de verminderde bereidheid om bloed te geven uiteindelijk zijn implicaties zou hebben op andere sferen van het menselijk leven. Het zou leiden tot een verminderd altruïsme en uiteindelijk een verarmd sociaal leven. (Sandel, 2012: 124)

Michael Sandel schetst in zijn recente boek What Money Can’t Buy een aantal soortgelijke gevallen. Hij betoogt dat dit gevallen zijn waarin de markt een corrumperende werking heeft op een goed dat we van grotere waarde achten. Voorbeelden die hij geeft zijn draagmoederschap, prostitutie, de markten voor spermacellen en orgaantransplantatie.

Steven Lukes vat het corruptie argument goed samen:

“The general idea is this: that among the goods that people value there are some which have the value they do in part just because they are not up for sale and, if they do start to be bought and sold,  or are even seen as saleable, their value is debased. And to this idea a second is often adjoined: that, once this process begins in respect of one such good, other such goods are infected and the contamination spreads, across persons and across goods.” (Lukes, 2012: 8)

Er zijn dus twee aspecten aan te wijzen in dit argument. Het eerste aspect is dat we bepaalde goederen een intrinsieke waarde toekennen. Het gaat hier om waarden als bijvoorbeeld altruïsme, lichamelijke integriteit en menselijke waardigheid. We zeggen dat bepaalde zaken boven elke waarde zijn verheven. Het tweede aspect is dat we vinden dat de markt afbreuk doet aan die waarde en leidt tot verdere corrosie van ons morele besef.

Het tweede aspect wil ik eerst bespreken. Waar Michael Sandel dit argument juist verdedigt, is Debra Satz het met hem oneens. Zij betoogt met name dat er een zwakke connectie is tussen de verhandelbaarheid van een goed op een markt en de waarde die we aan dat goed hechten. Zij gelooft dus niet dat verhandelbaarheid van een goed de waarde werkelijk omlaag haalt. (Satz, 2010: 81)

Het eerste aspect gaat over de waarde die we aan een goed hechten. Ook hier is Satz het niet met Sandel eens: “there are rival views of the meaning of many particular goods.” (Satz, 2010: 81) Sandel, en ook iemand als Elizabeth Anderson gelooft wel dat er een juiste manier is waarop we bepaalde goederen kunnen waarderen, en dat sommige goederen van zichzelf intrinsiek waardevol zijn. De filosofie van Kant brengt hier wel uitkomst. Welke goederen moeten we een intrinsieke waarde toekennen?

Toepassing van de categorische imperatief

Wat zegt de filosofie van Kant ons over welke goederen intrinsiek waardevol zijn en niet gecorrumpeerd mogen worden door de markt of welke waarden we moeten koesteren? De derde formulering van de categorische imperatief geeft hier houvast.

Kant introduceert een begrip dat van toepassing is op onze casus. Het begrip waardigheid moet volgens commentator Allen Wood begrepen worden vanuit het historische perspectief dat mensen van verschillende klassen een andere sociale status hadden en daardoor in waarde van elkaar verschilden. Kant wil er mee zeggen dat iedereen evenveel waard is, uit welke sociale achtergrond dan ook. Wood stelt dat dit ‘radicale egalitarisme’, dat voortkomt uit het feit dat wij ons als redelijke wezens allemaal zelf de wet kunnen stellen, het meest fundamentele idee in de Kantiaanse ethiek is. (Wood, 2008: 94)

Wat betekent het dat iets ‘waardigheid’ bezit? Kant zegt:

“In het rijk van de doelen heeft alles ofwel een prijs, ofwel een waardigheid. Voor datgene wat een prijs heeft, kan ook iets anders in de plaats gesteld worden als equivalent. Wat daarentegen boven elke prijs verheven is en derhalve geen equivalent toelaat, heeft een waardigheid.” (Kant, 2008: 112)

Kant onderscheidt vervolgens twee soorten prijs. Een marktprijs voor dat wat door onze menselijke neigingen begeerd wordt, een affectieve prijs voor dat wat door onze neigingen begeerd wordt en wat overeenkomt met onze smaak. Dat wat alleen doel op zichzelf kan zijn, heeft geen prijs, maar een intrinsieke waarde, door Kant waardigheid genoemd.

Wanneer we nu de inhoud van de transactie moreel beoordelen, kunnen we dus stellen dat we de ander nooit louter als middel mogen gebruiken. Bovendien heeft een wezen dat met de rede begiftigd is, een waardigheid en is dus boven elke prijs verheven.

In de tijd van Kant was er een levendige handel in tanden, arme mensen verdienden wat bij door hun tanden als implantaten voor de rijken te laten trekken. Kant was het hier zeer mee oneens, omdat dit inbreuk maakte op de menselijke waardigheid. (Sandel, 2010: 155) “Hence a man cannot dispose over himself; he is not entitled to sell a tooth, or any of its members. ”, liet Kant optekenen in één van de colleges die hij gaf over ethiek. (Kant, 1997: 157) De morele plicht lijkt hier dus te liggen bij het subject dat zijn tanden wil verkopen, als volmaakte plicht jegens jezelf. Het lijkt onwaarschijnlijk dat bij Kant de koper van de tanden vrijuit zou gaan. Er is dus ook een plicht jegens een ander in het spel. Zo zou Kant het ook afkeuren om iemand te assisteren bij zijn zelfmoord. In beide gevallen werk je mee aan een handeling (en je stimuleert het zelfs door ervoor te betalen) die een met de rede begiftigd mens maakt tot een instrument, tot een middel om een ander doel te bereiken. Voor Kant maakt het geen verschil voor de morele waarde van de handeling dat de verkoper zelf instemt met de transactie, hij heeft immers de morele plicht jegens zichzelf.

Hier is nog een probleem: is er een situatie denkbaar waarin iemand in een economische transactie zijn lichaam als middel gebruikt, maar tegelijkertijd als doel op zich wordt benaderd? In dat geval zou de transactie de toets van de categorische imperatief wellicht toch doorstaan. We zouden hier kunnen denken aan de prostituee die met haar werk een hoger doel dient, bijvoorbeeld door als ‘sex therapist’ aan een legitieme sociale vraag te beantwoorden. Door een dergelijk hoger doel te dienen zou de prostitutie wellicht nog een bepaalde waardigheid uit het werk halen. Debra Satz verwerpt dit idee: “Prostitution, like pornography, is not easily separated from the larger surrounding culture that marginalizes, stereotypes and stigmatizes women.” (Satz, 2010: 148)

Er spelen dus twee plichten aan de hand waarvan we bepaalde markttransacties om hun inhoud kunnen afkeuren. Transacties waarbij mensen louter als middel worden gebruikt, en hun waardigheid wordt aangetast, zijn moreel onjuist op basis van de plicht tegenover je eigen lichaam, als wel op basis van de plicht van de ander ten opzichte van het lichaam van de ander.

Conclusie

Hoe kunnen we goederen herkennen waarbij het corruptie argument opgaat? Sandel doet er in zijn nieuwste boek niet echt een algemene uitspraak over, maar identificeert wel heel wat specifieke gevallen waarin een bepaalde hogere waarde volgens hem beschermd dient te worden. Michael Walzer geeft een aantal zaken die volgens hem door hun sociale betekenis beschermd moeten worden voor de markt. Een van de voorbeelden die hij geeft is gezondheidszorg. (Satz, 2010: 81) Elizabeth Anderson schrijft dat de markt slechts geschikt is voor het herverdelen van ‘pure economic goods’. We moeten volgens haar aan de ene kant goederen plaatsen die ‘traded with equanimity for any other commodity at some price’ en aan de andere kant goederen “‘that are higher, personal, or shared’—goods that are valued intrinsically.” (Anderson, 1993; citaat Lukes, 2012: 9)

Ongetwijfeld zijn deze drie hierboven aangehaalde filosofen in grote mate door Kant beïnvloed. Kant laat ons zien dat de inhoud van een economische transactie begrensd dient te worden door de categorische imperatief en door de begrippen doel-op-zich en menselijke waardigheid die daar uit voortvloeien.

NAWOORD BIJ HET DRIELUIK

Ondanks de claim van de economische wetenschap dat moraal in economische transacties slechts de vorm aan neemt van de preferenties van de marktdeelnemers, hoop ik dat ik hierboven heb kunnen laten zien dat we wel degelijk een moreel oordeel kunnen vellen over transacties die plaats vinden op de markt.

We kunnen de transacties beoordelen op de omstandigheden waaronder zij tot stand zijn gekomen en op basis van de inhoud van de transactie.

Ten aanzien van de omstandigheden van de transactie speelt het dwang argument een belangrijke rol. De categorische imperatief van Kant sluit dwang in zijn geheel uit. Desalniettemin kunnen we transacties waar in zekere zin sprake is van dwang toch billijken als er een redelijke transactie tegenover staat en als er een waardig aanbod tegenover staat.

Ten aanzien van de inhoud van de transactie gelden de plicht jegens jezelf en de plicht jegens een ander om een wezen begiftigd met de rede niet louter als middel te gebruiken. Dit betekent dat diensten die de menselijke waardigheid op het spel zetten, als moreel onjuist moeten worden gezien, en een vrije markttransactie in de weg staan. Dit betekent dat het terecht is als we ten aanzien van zaken als prostitutie, betaald draagmoederschap en verkoop van organen vraagtekens zetten, net zoals Kant vraagtekens zette als de schoorsteenveger tegen betaling zijn tanden liet trekken, zodat die bij een rijke koopman in het gebit konden worden geïmplanteerd (zie de prent van Thomas Rowlandson op de voorpagina).