Immanuel Kant over de grenzen van de vrije markt (2/3)

Als we de economische transactie moreel beoordelen, kunnen we dat zoals gezegd vanuit twee invalshoeken doen. Ten eerste moeten we kijken naar de omstandigheden van de transactie. Is er sprake van een min of meer gelijke onderhandelingspositie? Is een van de twee partijen niet gedwongen door zijn economische omstandigheden om aan de transactie mee te doen? Het maakt verschil of iemand in een markttransactie vanuit een onafhankelijke vrije rol participeert, of vanuit een afhankelijke rol. Als één van de twee partijen bij de transactie zich in een erbarmelijke economische situatie bevindt is er geen sprake van een vrije rol. Wat betekent dit?

De Amerikaanse filosoof Michael Sandel, die recent een boek uit heeft gebracht over de ‘moral limits of markets’, maar hier al in 1998 een lezing over hield aan Brasenose College in Oxford (Sandel, 1998), geeft twee belangrijke argumenten (‘coercion and corruption’) op basis waarvan we de morele grenzen van de markt kunnen vaststellen. Het eerste argument baseert hij op dwang:

“The first objection is an argument from coercion. It points to the injustice that can arise when people buy and sell things under conditions of severe inequality or dire economic necessity. According to this objection, market exchanges are not necessarily as voluntary as market enthusiasts suggest. A peasant may agree to sell his kidney or cornea in order to feed his starving family, but his agreement is not truly voluntary. He is coerced, in effect, by the necessities of his situation.” (Sandel, 1998: 94)

Sandel stelt dat een onrechtvaardige situatie kan ontstaan als iemand gedwongen wordt om deel te nemen aan bepaalde markten (i.c. de markt voor organen ter transplantatie). Bij de beoordeling van dit argument moet onderzocht worden of er daadwerkelijk sprake is van dwang, met andere woorden onder welke omstandigheden vinden we dat iemand niet meer vrij kan handelen? Vervolgens proberen we de categorische imperatief toe te passen op gevallen van dwang. En er doet zich ook een probleem voor: vrijwel iedereen is veroordeeld tot de arbeidsmarkt om in zijn levensonderhoud te voorzien, maar de vraag is wanneer is dit volgens Kant moreel onjuist?

Is er sprake van dwang?

Bij de beantwoording van de eerste vraag moeten we teruggrijpen op een ander filosofisch debat. Dit debat gaat over wat we onder vrijheid en dwang moeten verstaan.

In zijn bekende boek The Constitution of Liberty stelt Friedrich von Hayek bijvoorbeeld dat vrijheid afwezigheid van dwang moet impliceren. Vrijheid betekent niet dat ik mijn eigen pad moet kunnen kiezen en kan volgen, maar vrijheid betekent dat niet iemand anders zijn wil aan mij kan opleggen. Over dwang zegt hij:

“Even if the threat of starvation to me and perhaps to my family impels me to accept a distasteful job at a very low wage, even if I am ‘at the mercy’ of the only man willing to employ me, I am not coerced by him or anybody else.” (Hayek, 2011: 204)

Volgens Hayek kan in een marktverhouding van dwang dus bijna nooit sprake zijn. (´Bijna nooit´ wil zeggen dat er ook voor Hayek gevallen denkbaar zijn waarin dit toch het geval is. Bijvoorbeeld wanneer er sprake is van een monopolist die zijn handen om een zogenaamd essentieel goed houdt.) Zelfs wanneer iemand bijna sterft van de honger, heeft hij volgens Hayek toch nog voldoende keuzemogelijkheden, zodat we van dwang niet kunnen spreken.

Michael Sandel echter stelt dat er wél sprake is van dwang. In het citaat dat hierboven is aangehaald, wordt een arme boer gedwongen door de behoeften die uit zijn situatie voortvloeien: “He is coerced by the necessities of his situation.” (Sandel, 1998: 94) Het dwang-argument kan niet als zuiver argument tegen een markttransactie worden ingezet. Het keert zich slechts tegen een markt als er sprake is van sterke inkomensongelijkheid. Het argument zegt feitelijk dat iemand die onder erbarmelijke economische omstandigheden aan een markttransactie deelneemt, niet geacht wordt werkelijk in te stemmen met de keuze die hij maakt. (Sandel, 1998: 94)

Ook de Amerikaanse filosofe Debra Satz onderkent dat dit toch een probleem is. Wanneer twee mensen een economische transactie met elkaar aangaan, waarbij sprake is van grote inkomensongelijkheid, is er sprake van onevenredige kwetsbaarheid ten opzichte van de ander. De arme boer uit het voorbeeld van Sandel zal instemmen met de voorwaarden van een markttransactie, die hij nooit zou hebben geaccepteerd als hij niet in nood zou hebben gezeten. (Satz, 2012: 97)

Formeel gezien heeft Hayek een punt: de arme boer altijd een keuze. Waar Sandel en Satz echter op wijzen is, dat wanneer je economisch gezien onder een bepaald bestaansminimum zakt, en je in erbarmelijke omstandigheden geraakt, je keuze in feite niet meer vrij is. Het dwang argument is dus gebaseerd op de gedachte dat voldaan moet zijn aan een zeker bestaansminimum, omdat de zwakke deelnemer aan een transactie anders feitelijk gedwongen wordt en de sterke partij de vruchten kan plukken van die erbarmelijke situatie.
Toepassing van de categorische imperatief

Een mogelijke formulering van de categorische imperatief beveelt ons om alle redelijke wezens te behandelen als doel op zich en nooit louter als middel. Dit impliceert dat elk mens met respect moet worden behandeld. Wat betekent het precies om anderen louter als middel te behandelen?

De Kant commentator Sally Sedgwick geeft aan dat het niet ontoelaatbaar is om een ander als middel te gebruiken. Zij geeft als voorbeeld dat zij naar de tandarts gaat als ze kiespijn heeft en haar tandarts gebruikt als middel om haar kiespijn te bestrijden. Wat zij in acht moet nemen is dat ook de tandarts een wezen is, behept met de capaciteiten van de redelijkheid en dus in staat is tot ‘self determination’. (Sedgwick, 2008: 138) Bij een markttransactie waar geen sprake is van dwang is er niet veel aan de hand.

Wanneer er bij een economische transactie sprake is van een situatie waarin een van de partijen zich in erbarmelijke economische omstandigheden bevindt, dat wil zeggen onder een bestaansminimum,  zou Kant die transactie vermoedelijk als moreel onjuist bestempelen. Er is in dit geval sprake van een vorm van dwang. De vraag of er daadwerkelijk sprake is van dwang, is hierboven al aan de orde gekomen, en het moge duidelijk zijn dat die onderwerp is van debat. Om dit voorbeeld te bespreken, sluit ik aan bij de opmerkingen van Michael Sandel in zijn Tanner Lectures uit 1998 die stelt dat er wel degelijk sprake is van dwang: “A peasant may agree to sell his kidney or cornea in order to feed his starving family, but his agreement is not truly voluntary. He is coerced, in effect, by the necessities of his situation.” (Sandel, 1998: 94)

Zodra iemand gedwongen wordt, bevindt hij zich in de situatie dat hij geen gelijkwaardige deelnemer aan de handeling is. Het geval van dwang lijkt in die zin sterk op het geval van bedrog, omdat het slachtoffer letterlijk niet de keuze heeft om in te stemmen met de handeling. In het geval van een leugen omdat hij het niet weet, in het geval van dwang omdat hij geen keuze heeft. Om die reden worden bedrog en dwang als twee paradigmatische manieren gezien om iemand alleen als doel (en niet ook als middel) te gebruiken. (White, 2011: 26) Als iemand een leugen aan de ander vertelt, gebruikt hij hem louter als middel en niet als doel op zich. De andere persoon is immers geen gelijke deelnemer aan de situatie omdat hij onmogelijk kan instemmen met voorgelogen worden. (White, 2011: 26) Volgens deze redenering zijn dwang en misleiding onmogelijk te verenigingen met de categorische imperatief. Als persoon A gedwongen wordt heeft hij logischerwijs onmogelijk de keuze om in te stemmen met de handelwijze van persoon B. Persoon A wordt door B slechts gebruikt als middel en niet ook als doel op zich.

Aan de hand van de categorische imperatief moeten we dus concluderen dat markttransacties die tot stand komen onder dwang die voortvloeit uit het ontbreken van een bestaansminimum, moreel onjuist zijn. Echter om voor onze eigen subsistentie te zorgen, zijn we toch veroordeeld tot het gebruiken van onze eigen arbeid. Dit was ook in de samenlevingen waarin het marktdenken nog niet echt was doorgedrongen het geval. De arme boer die onder een bestaansminimum leeft en niet de vrije keuze maakt om een bepaald soort arbeid te leveren (of om zijn nier te verkopen) wordt gedwongen en dit is vanuit Kants perspectief onjuist.

Toch kan hier een (Kantiaanse) kanttekening bij geplaatst worden. We kunnen, als de arme boer geen keuze heeft of hij het baantje aan de lopende band accepteert, omdat anders zijn familie zou sterven van de honger, misschien betogen dat hij, mits hij een eerlijke beloning krijgt en zijn waardigheid verder niet wordt aangetast, een eerlijke keuze heeft en zo weliswaar als middel, maar tegelijkertijd als doel op zich wordt behandeld.

Laten we ons een eiland voorstellen, waarop één fabriek staat. Werken voor die fabriek is de enige manier waarop de eilandbewoners in hun subsistentie kunnen voorzien. Ook al hebben de eilandbewoners geen keuze of ze wel of niet voor de fabriek werken, mits ze met respect behandeld worden, worden ze weliswaar als middel, maar tegelijk als doel op zich behandeld en zou Kant de transactie niet afkeuren. In dat geval zouden moeten we wel nog onderzoek doen naar de inhoud van de transactie. Is er sprake van menswaardig werk, uitgevoerd onder respectvolle omstandigheden?

Conclusie

Als we Kant strikt volgen, moeten we op basis van de categorische imperatief concluderen dat alle transacties waarbij sprake is van dwang, de waardigheid van één van de twee deelnemers in gevaar komt, en uit den boze is als de ander louter als middel wordt gebruikt. Echter over de vraag of er bij een markttransactie sprake is van dwang, is veel discussie. Als één van de twee partijen in erbarmelijke economische omstandigheden verkeert, onder een bestaansminimum, is de kans groot dat hij eerder een aanbod zal accepteren dat hij niet geaccepteerd zou hebben als hij niet in nood had gezeten. Als de aard van het voorstel echter eerlijk en acceptabel is, zouden we misschien toch kunnen betogen dat, ook al zit iemand in nood, hij niet louter als middel wordt gebruikt. Volgende week kijken we naar de inhoud van de transactie en proberen we vast te stellen wat acceptabel is.