Immanuel Kant over de grenzen van de vrije markt (1/3)

Vaak wordt markten de eigenschap toegedicht dat ze vrij van moraal zijn. Immers acterend in een vrije markt kunnen de deelnemers zelf bepalen wat ze willen doen, wat ze lekker vinden en wat ze belangrijk vinden. Afgezien van het feit dat we door eigendomsrechten en contracten toe te staan een markt gecreëerd hebben, neemt moraal in een markt slechts een plaats in binnen het beoordelingskader van een marktdeelnemer. Als een consument het belangrijk vindt dat de chocolade die hij eet op zodanige wijze gemaakt is dat iedereen in de productieketen een eerlijk gedeelte krijgt van de opbrengst, dan kan hij er voor kiezen om fair trade chocola te kopen, maar deze keuze heeft dezelfde plaats in het systeem als de keuze voor pure of melkchocolade van de consument.

De uitkomsten van een markt kunnen natuurlijk best langs een morele meetlat gelegd worden. Zo kunnen we het oneerlijk vinden dat Afrikaanse cacaoboeren een onevenredig gedeelte ontvangen van de totale opbrengst van een chocoladereep. Het is echter moeilijk om de markt de schuld te geven van eventuele immoraliteit. De markt is een transparant vehikel, dat slechts individuele voorkeuren vertaalt in het tot stand komen van vraag en aanbod. De consumenten die een reep chocolade hebben gekocht die niet fair trade is, houden met hun keuze voor non-fair-trade chocolade een oneerlijke praktijk in stand.

Is dit erg? Hier zijn twee opmerkingen over te maken. Ten eerste zal een econoom in het geval van de cacaoboer waarschijnlijk signaleren dat er sprake is van marktfalen. De markt wordt door omstandigheden belemmerd om goed zijn werk te doen. In het geval van de cacaoboer is er waarschijnlijk sprake van onevenredig veel marktmacht bij de handelaar. Een belangrijk gedeelte van de economische wetenschap gaat precies over dit marktfalen. Als dit marktfalen is weggenomen kunnen we de kwestie alsnog beoordelen en kom ik bij de tweede opmerking: zolang iedereen zijn keuzes in vrijheid gemaakt heeft (ook de cacaoboer), gaat een econoom ervan uit dat iedereen bij een markttransactie minimaal een verbetering heeft doorgemaakt ten opzichte van zijn oude positie. Deze zogenaamde Pareto-verbetering zegt weinig over moraliteit, maar iets over een efficiënte allocatie van middelen. Zo kan de markt zich het als het ware permitteren om ‘blind’ te zijn voor morele aspecten. Zo lang de deelnemers in vrijheid handelen, worden de uitkomsten van de markt dus voor iedereen gunstig geacht (of op zijn minst neutraal) in economische termen en blijft er ruimte voor individuele voorkeuren op ethisch gebied.

Het neoliberale gedachtegoed heeft sterk gebouwd op bovenstaande gedachte. Het vrijheidsaspect aan dit systeem is volgens mij voor velen het aantrekkelijkst. Het is niet nodig dat een instantie van bovenaf bepaalt welke doelen moeten worden nagejaagd. De algemene doelen worden juist bepaald door de opstapeling van alle individuele doelen en voorkeuren. Het algemeen belang is het beste gediend door mensen in vrijheid aan de markt te laten deelnemen en hun eigen belangen te laten najagen. (Claassen, 2011: 147)

Het succes van de vrije markt heeft er toe geleid dat meer en meer goederen en diensten op de markt verhandelbaar worden. Voorbeelden van deze commodificatie zijn de markten in organen, seks, gezondheidszorg, onderwijs, medicijnen, levensverzekeringen.  Bij deze voorbeelden dringt het zich echter aan ons op, dat ondanks dat een markt perfect werkt, we vraagtekens moeten zetten bij het bestaan van die markten.

De komende weken wil ik ingaan op waar we, als we ervan uitgaan dat een markt perfect werkt,  de morele grens van de markt kunnen trekken. Waarom is het wel goed dat ik de bakker betaal om vroeg op te staan om een brood voor mij te bakken, wordt het twijfelachtig wanneer ik een prostituee betaal om seks met mij te hebben en zou het moreel onjuist zijn als ik een nier koop van een arme Indiër?

Ik zal dit doen door het filosofische speelveld op dit gebied te schetsen. Er kunnen drie verschillende soorten argumenten  onderscheiden worden die hiervoor relevant zijn: een argument dat gebaseerd is op dwang, een argument dat gebaseerd is op corruptie van het goed en een argument dat stelt dat bepaalde markten de werking van de democratie kunnen bedreigen.

Naast het bespreken van die argumenten, wil ik de 18e eeuwse filosoof Immanuel Kant ten tonele voeren. Kant is de grondlegger van één van de belangrijkste stromingen in de moraalfilosofie. De vraag die ik wil beantwoorden is of het mogelijk is om op basis van Kants ethiek te komen tot een begrenzing van de werking van de markt (belicht vanuit het perspectief van de economische transactie tussen marktpartijen)?

In de komende weken zal ik het dwang en het corruptie-argument bespreken. Ik ga bij het beoordelen van een economische transactie uit van twee kenmerken van de transactie. Ten eerste moeten we kijken naar de omstandigheden van de transactie. Is er sprake van een min of meer gelijke onderhandelingspositie? Is een van de twee partijen niet gedwongen door zijn economische omstandigheden om aan de transactie mee te doen? Dit is waar het dwang-argument over gaat.
Ten tweede moeten we kijken naar de inhoud van de transactie. Zijn er bepaalde goederen of diensten denkbaar waarvan het moreel onjuist is om ze op een markt te verhandelen, om er een prijs tegenover te zetten? Dit is waar het corruptie-argument van toepassing is.

Volgende week zal ik het dwang argument bespreken. Kort gezegd is de gedachte achter het dwang-argument: als economische ongelijkheid (te) groot is zou dit de facto kunnen leiden tot gedwongen marktdeelname. Een voorbeeld hier is wanneer een arme boer die net een misoogst achter de rug heeft aan iemand zijn nier verkoopt om toch voor zijn gezin te kunnen zorgen. Op wat voor manier kan de ethiek van Kant hier uitkomst bieden? Is dwang altijd problematisch, of zijn er ook gevallen denkbaar waarin het te billijken valt? Dit gaat dus over de omstandigheden van de transactie. Op zich is natuurlijk vrijwel iedereen gedwongen om aan de arbeidsmarkt deel te nemen om te voorzien in zijn onderhoud, maar wanneer neemt dit problematische vormen aan?

Maar we kunnen ook kijken naar de inhoud van de transactie. Dat zal ik in de daarop volgende week doen. Je kunt met Kant immers ook iets zeggen over de juistheid van economische transacties als die in totale vrijheid afgesloten zijn.  Ik zal dit bespreken aan de hand van het corruptie-argument. Het corruptie argument zegt dat we sommige zaken een intrinsieke waarde toe, en die waarde raakt gecorrodeerd doordat we de zaak tot een verhandelbaar goed of dienst hebben gemaakt. Prostitutie is hiervan een goed voorbeeld. Door een lichaam verhandelbaar te maken vernederen we iets dat een waardigheid heeft en stellen we er een prijs tegenover. Hier wil ik met Kant in de hand de vraag stellen: voor welke goederen of diensten geldt dit?