Internationale belastingplanning (5/6) – een maximale (wereld)belastingopbrengst?

Ondanks argumenten tegen internationale belastingsamenwerking zijn er ook argumenten voor. Het belangrijkste argument hiervoor is dat belastingsamenwerking de onwenselijke belastingarbitrage, waarbij bedrijven zoveel mogelijk winst proberen te alloceren bij landen met een laag belastingtarief, kan voorkomen. Hierdoor zou de totale (wereld)belastingopbrengst toenemen en zouden er meer middelen te besteden zijn door overheden. Of dit laatste wenselijk is, is een politieke afweging, of een in totaal hogere belastingopbrengst ook door internationale samenwerking wordt gerealiseerd is  een vraag van meer economische aard.

De hoogte van de belastingopbrengst bevindt zich ergens tussen twee uitersten. Als het tarief 0% bedraagt, dan is de belastingopbrengst nul. Is het belastingtarief 100%, ook dan lijken we aan te kunnen nemen dat de belastingopbrengst nul is. Niemand zal dan gemotiveerd zijn om te werken om inkomen of winst te genereren, zo is de gedachte van de econoom Arthur Laffer zichtbaar gemaakt in de naar hem vernoemde Laffercurve.

 

Bron afbeelding : Wikipedia

 

Juister zou overigens zijn te spreken van  de effectieve belastingdruk, niet alleen van het tarief, want de grondslag waarover geheven wordt is net zo belangrijk als de hoogte van het tarief. Een hoog tarief met veel vrijstellingen kan gunstiger blijken te zijn dan een laag tarief zonder vrijstellingen. Ook is juister om in de effectieve belastingdruk mee te nemen de negatieve belastingen in de vorm van subsidies of inkomen herverdelende uitkeringen. Een belastingtarief van 100% met een substantieel herverdelingsmechanisme  hoeft niet tot een belastingopbrengst van nihil te leiden. Een dergelijk systeem kende in feite de vroegere communistische staten.

Een hogere effectieve belastingdruk leidt dus maar tot op zekere hoogte tot in absolute getallen een hogere belastingopbrengst. Het is dus de vraag op welk punt van de Laffercurve de effectieve belastingdruk van de wereld als geheel zich nu bevindt. Zit deze aan de linkerkant van de top van de curve, dan is verhoging van de belastingopbrengst in theorie mogelijk. Zit deze rechts daarvan, dan is door internationale belastingsamenwerking een lagere absolute belastingopbrengst te verwachten.

Naast het met de Laffercurve weergegeven effect speelt er nog een effect. Stel dat de totale  belastingopbrengst wel toeneemt, dan leidt dit tot minder ruimte voor bestedingen, besparingen of investeringen in de private sector.  De collectieve sector  ziet haar middelen op korte termijn toenemen, maar hoe zit dat op de langere termijn? Wat is het effect op de economie en met name op de belastinggrondslag die in belangrijke mate gevormd wordt door de winsten van bedrijven en de inkomsten en bestedingen van werknemers? De verschuiving van middelen van de private sector naar de collectieve sector zal in het algemeen de economische ontwikkeling remmen en daarmee de belastinggrondslag voor de toekomst uithollen. Of een extra impuls in de economie door verhoogde overheidsuitgaven deze remmende werking kan compenseren is de vraag.

Na de publieke verontwaardiging over internationale belastingplanning lijkt internationale belastingsamenwerking een logische volgende stap die politici moeten zetten, maar er moet voor gewaakt worden dat hiermee niet het paard achter de wagen wordt gespannen en dat een dergelijke belastingsamenwerking tot een lagere belastingopbrengst leidt.