Two Nations Revisited?

De inkomensverschillen in de wereld zijn groot en daardoor een belangrijk fundament voor de welvaart in het westen. Hoe is dat zo gekomen en hoe kun je daar vanuit de filosofie tegen aan kijken? In deze dossiertekst een korte historie van de mondiale economische ontwikkeling vanuit een cross-cultureel filosofisch perspectief. Aan bod komen Rabindranath Tagore (India), Karl Polanyi (Hongarije) en Thomas Pogge (Duitsland).

 

Two Nations Revisited?

 

 “Two nations; between whom there is no intercourse and no sympathy; who are as ignorant of each other’s habits, thoughts, and feelings, as if they were dwellers in different zones, or inhabitants of different planets; who are formed by a different breeding, are fed by a different food, are ordered by different manners, and are not governed by the same laws.” “You speak of — ”said Egremont, hesitantly: “ The Rich and the Poor”(66)”

In dit citaat uit de in 1845 uitgebrachte roman “Sybil, and the Two Nations”, schetst de schrijver Benjamin Disraeli, later premier van Engeland, een droevig beeld van de leefomstandigheden van de Britse arbeiders en de tweedeling binnen de bevolking van het Verenigd Koninkrijk. Disraeli is gedesillusioneerd dat de machthebbers niet in staat zijn geweest de kloof tussen arm en rijk te dichten en hen te beschermen tegen de heersende markteconomische verhoudingen. Hij erkent dat de werkende klasse uitgebuit werd door het laissez-faire systeem, dat ze ondanks de groeiende welvaart niet in staat waren hun gezinnen te onderhouden, dat alle voorspoed terecht kwam bij de bovenklasse van de Britse maatschappij, met degeneratie en desintegratie van de werkende klasse tot gevolg. Een van zijn hoofdpersonen Walter Gerard laat hij zeggen:

“There is more serfdom in England now than at any time since the Conquest. I speak of what passes under my daily eyes when I say, that those who labour can as little choose or change their masters now, as when they were born thralls. There are great bodies of the working classes of this country nearer the condition of brutes than they have been at any time since the Conquest. (172)”

Zo erg is het gelukkig niet meer, in ieder geval niet in Nederland en andere westerse landen. Ook al moet niet onderschat worden wat het effect is van relatieve armoede, waarbij gezinnen wel kunnen wonen, zich kunnen kleden, te eten hebben (al dan niet met behulp van de voedselbanken), toegang hebben tot zorg en de kinderen naar school kunnen gaan, maar waarvan de last is dat ze niet in alle opzichten mee kunnen doen met de maatschappij: geen geld hebben voor hobby’s, geen geld hebben voor vakanties, geen geld hebben voor een 3D-televisie. Relatieve armoede weegt zwaar maar het is niet zo erg dat je in Nederland (nog) kan spreken van Two Nations.

Nee, onze tweede Nation hebben we over de landsgrenzen gezet, we hebben onze armoede geëxporteerd, door productie van goederen te verplaatsen naar lagelonenlanden. Eerst naar Oost-Europa, toen naar Azië, met name naar China. En als de Chinezen die voor een laag loon bereid zijn onze dvd-spelers van drie tientjes in elkaar te sleutelen “op” zijn, dan wijken we wel uit naar nieuwe arme landen, voornamelijk in Afrika. De wereld telt nog tenminste één miljard mensen die met minder dan “a dollar a day”  moeten zien rond te komen[1]. Toekomstig werkvolk genoeg!

In onze tijd is de wereld als geheel verdeeld in “Two Nations”, het vraagstuk van nu  is niet veel anders dan dat van de 19e eeuw in Engeland: “unheard-of wealth turned out to be inseparable from unheard-of poverty” (Polanyi, 1944: 106). In zijn artikel “Recognized and Violated by International Law: The Human Rights of the Global Poor” analyseert Thomas Pogge[2] dit nog immer actuele vraagstuk en doet concrete suggesties voor een eerste stap om de armen van deze wereld meer bescherming te bieden en daarmee hun lot te verbeteren.

In dit paper onderwerp ik de analyse en oplossingsvoorstellen van Pogge aan een nader onderzoek. Dit doe ik vanuit twee theoretische denkkaders:  de “double movement” van Karl Polanyi[3], zoals uiteengezet in zijn in 1944 gepubliceerde boek “The Great Transformation” en het begrip “Nationalism” zoals Rabindranath Tagore[4] dat heeft uitgewerkt in zijn gelijknamige in 1917 gepubliceerde boek. Hoewel Pogge en Polanyi allebei van mening zijn dat het verschil tussen arm en rijk veel te groot is, betoog ik dat ze diametraal tegenover elkaar staan waar het de analyse van de oorzaken betreft: waar Polanyi de vrije markt als de grote boosdoener aanwijst en de instituties van de samenleving als beschermende factor, is het Pogge die het juist op deze politieke instituties gemunt heeft. Vervolgens betoog ik aan de hand van Tagores positie dat zowel Pogge als Polanyi, overigens elk op een andere wijze, een belangrijke oorzaak van de uiterst scheve welvaartsverdeling, de politiek, niet de juiste plek toedichten.  Aan het slot van dit paper pleit ik, in navolging van Tagore, voor meer aandacht voor onze morele verhoudingen, voor onze sociale relaties. In feite pleit ik voor meer “care”.

 

The Double Movement

Centraal in het denken van Polanyi staat de term “embeddedness”, waarmee hij aan wil geven dat de economie en de daarbinnen functionerende markten niet los kunnen staan van de maatschappij en het functioneren van de maatschappij, maar daarmee onverbrekelijk verbonden zijn. Historisch onderbouwt hij deze stelling door te laten zien dat  tot de 19e eeuw er nimmer sprake is geweest van een “disembedded economy”. Economieën en markten waren altijd onderdeel van het netwerk van sociale relaties waar een maatschappij uit bestaat en die sociale relaties domineerden de economie. In de 19e eeuw leek dus iets nieuws te zijn ontstaan, een grote verandering van niet door markten gedomineerde economieën naar wel door markten gedomineerde economieën: “While history and ethnography know of various kinds of economies, most of them comprising the institutions of markets, they know of no economy prior to our own, even approximately controled and regulated by markets” (Polanyi, 1944: 46).

Theoretisch onderbouwt Polanyi zijn stelling, dat economieën en markten onverbrekelijk verbonden zijn met de maatschappij en de daarin verankerde sociale relaties, door de introductie van het begrip “fictitious commodities”, te weten “labor, land and money” (Polanyi, 1944: hoofdstuk 7). Hij definieert commodities als goederen die geproduceerd zijn om verkocht te worden en via de werking van vraag en aanbod tegen de tot stand gekomen evenwichtsprijs verhandeld kunnen worden. Maar arbeid, grond en geld zijn overduidelijk geen geproduceerde goederen in die zin, arbeid komt met het leven zelf, grond is gegeven door de natuur en geld is een ruilmiddel dat door de banken en de staat is ingesteld. Voor de vrije markt is echter wel noodzakelijk dat deze fictieve goederen op de markt verhandelbaar zijn, zodat “the fiction of their being so produced became the organizing principle of society” (Polanyi, 1944: 79).

Polanyi werpt twee bezwaren op tegen dit “organizing principle” dat door de vrije markt wordt geëist. In de eerste plaats een beperkt uitgewerkt moreel bezwaar; je kunt mensen en de natuur niet behandelen als verhandelbare objecten. In de tweede plaats, theoretisch belangrijker, wijst Polanyi er op dat zonder overheidsbemoeienis de fictieve goederen niet op een markt kunnen functioneren: de overheid moet de geldhoeveelheid en rentetarieven beheersen, de overheid zorgt voor opgeleide arbeidskrachten en een vangnet bij werkeloosheid en de overheid speelt een belangrijke rol bij de toedeling van grond onder meer bij de voedselproductie en de delving van grondstoffen. Op drie belangrijke markten is de overheid dus een majeure speler en is het onjuist te beweren dat de overheid buiten de economie zou zijn te plaatsen. De vrije markt is volgens Polanyi dan ook op zijn minst een illusie.

Polanyi laat zien, dat in de  loop van de 19e eeuw, in alle landen waar de vrije markt aan een opmars was begonnen en de maatschappij beschermende tegenacties ondernam in een poging tot het opheffen van de “Two Nations”. Deze beschermende tegenacties hadden volgens Polanyi niet een ideologische achtergrond, want, zo stelt hij, in verschillende Europese landen met verschillende politieke klimaten kwamen dezelfde beschermende maatregelen tot stand, ze hadden een universeel karakter. Dit universele en collectieve karakter van de beschermende maatregelen komt volgens Polanyi voort uit het feit dat mensen in de eerste plaats een social being zijn en niet uit zijn op persoonlijk materieel gewin: ”The outstanding discovery of recent historical and anthropological research is that man’s economy, as a rule, is submerged in his social relationships. He does not act so as to safeguard his individual interest in the posession of material goods; he acts so as to safeguard his social standing, his social claims, his social assets” (Polanyi, 1944: 48). De opkomst van de vrije markt en de reacties daarop met beschermende maatregelen bepaalden de sociale geschiedenis van de 19e eeuw: “Social history in the nineteenth century was thus the result of a double movement: the extension of the market organization in respect to genuine commodities was accompanied by its restriction in respect to fictitious ones” (Polanyi, 1944: 79).

Leidt deze double movement nu tot een stabiel evenwicht volgens Polanyi? Nee, dat doet het niet. Zolang de “Liberal Creed” van de vrije markt de rangen aanvoert worden we meegesleept in de utopische vrije-marktwetten en “It was at the behest of these laws that compassion was removed from the hearts and a stoic determination to renounce human solidarity in the name of the greatest happiness of the greatest number gained the dignity of a secular religion.” (Polanyi, 1944: 106/107). Uiteindelijk heeft het onhoudbare van de ontwikkeling van de vrije markt in de 19e eeuw volgens Polanyi geleid tot de eerste wereldoorlog. Na de eerste wereldoorlog heeft de “Liberal Creed” de weg opnieuw geëffend voor een opkomst van de vrije markt, en daarmee volgens Polanyi de opkomst van nazi-Duitsland mogelijk genmaakt. Niet Versailles maar de vrije markt heeft de wereld naar een tweede wereldoorlog geleid. De double movement moet dan ook niet gezien worden als een oplossing voor de fricties die de vrije markt met zich meebrengt. Nee, het is voor Polanyi niet meer dan het bewijs dat de vrije markt een onhoudbare en gevaarlijke constructie is, niet slechts een illussie maar een heuse utopie: “the universal “collectivist” reaction against the expansion of market economy in the second half of the nineteenth century as conclusive proof of the peril to society inherent in the utopian principle of a self regulating market.” (Polanyi, 1944: 157).

Tot zover Polanyi. Later kom ik bij hem terug om zijn oplossingsvoorstellen in de beschouwing te betrekken, maar laten we eerst eens kijken naar een tijdgenoot uit een ander werelddeel: Rabindranath Tagore.

 

Nationalism

Tagores positie lijkt op het eerste gezicht niet meer dan een aanklacht tegen Europa. Niet verwonderlijk als inwoner van een door de Britten gekoloniseerd land, een kolonisatie die in de visie van Tagore uitsluitend gericht was op het leegroven van India om het zelfbelang van Groot-Brittannië en haar bevolking te dienen. Maar Tagore benadrukt dat hij niet over de geschiedenis van India schrijft, maar over de geschiedenis van de mens: “This history (of Man, cv) has come to a stage when the moral man, the complete man, is more and more giving way, almost without knowing it, to make room for the political and the commercial man, the man of the limited purpose”. (Tagore, 1917: 43).

Dit punt in de geschiedenis is volgens Tagore bereikt met het ontstaan van wat hij “Nations” noemt: “Organizations of politics and commerce” (Tagore, 1917: 40). Het begrip Nation datTagore hanteert omvat meer dan wat ook wel de natie-staat wordt genoemd. De basis van zijn idee van de Nation is weliswaar de natie-staat, de politieke constellatie daarvan, maar de natie-staat wordt pas een Nation op het moment dat het publieke domein zich vermengd met het private domein, met de commercie; dat de politiek en de commercie hun krachten bundelen om buiten de geografische grenzen van de natie-staat materiele rijkdommen te vergaren. Hoe is de Nation dan ontstaan volgens Tagore? Tagore merkt op dat de mens om te overleven “from the beginning of history (..) had to choose between fighting with one another and combining, between serving their own interest or the common interest of all.” (Tagore, 197: 69). In de voorgaande periode waar landen een in hoofdzaak lokaal perspectief hadden en de communicatie- en reismogelijkheden beperkt waren, was dit een relatief klein probleem. Het was voldoende om binnen de eigen groep, een volk, afspraken te maken: “In those days they combined among themselves and fought against others” (Tagore, 1917: 69) Het punt dat Tagore vervolgens benadrukt is dat door de opkomst van de wetenschap en de verruiming van technische mogelijkheden, alle volkeren van de wereld ‘dicht bij elkaar’ zijn komen te staan. “And again we are confronted with the different with two alternatives. The problem is whether the different groups of peoples shall go on fighting with one another or find some true basis of reconciliation and mutual help; whether it will be interminable competition or co-operation” (Tagore, 1917: 69). Wat Tagore terecht opmerkt is dat de westerse landen de weg van de competitie zijn ingeslagen en zich ontwikkeld hebben tot Nations. De doorontwikkelingen van samenlevingen die  in eerste instantie dan wel alleen er op gericht waren om  de eigen bevolking op een veilige manier te laten leven, maar die door de opkomst van de wetenschap, door de opkomst van de moderniteit, in een verbazingwekkend tempo uit hun voegen gegroeid zijn en hun grenzen, letterlijk en figuurlijk, hebben overschreden: “..when with the help of science and the perfecting of organization this power begins to grow and brings in harvests of wealth, then it crosses its boundaries with amazing rapidity. For then it goads all its neighbouring societies with greed of material prosperity, and consequent mutual jealousy, and by the fear of each other’s growth into powerfullness. The time comes when it can stop no longer, for the competition grows keener, organizing grows vaster, and selfishness attains supremacy. Trading upon the greed and fear of man, it occupies more and more space in society, and at last becomes its ruling force.”

Tagore ziet de Nation ook als een reactie op de vele bloederige oorlogen die Europa heeft gekend en onderkent dat de Nation een lange periode van vrede in Europa heeft gebracht: “Before this political civilization came to its power (..), we (Europe, cv) had wars, pillages, changes of monarchy and consequent miseries” maar, zo wijst hij er vervolgens op, de Nation is expansief van karakter, heeft nooit genoeg om al zijn behoeften te bevredigen en heeft geleid tot een “sight of fearful and hopeless voracity, such wholesale feeding of nation upon nation.” (Tagore, 1917: 9).

Tagore stelt dat conflict en strijd het epicentrum van het westerse nationalisme is. Het ontbreekt aan sociale samenwerking, sociale samenhang en zingeving. ”It has evolved a perfect organization of power, but not spiritual idealism” (Tagore, 1917: 47).  Tagore koestert ook enorme bewondering voor Europa, voor haar literatuur, haar kunst, de strijd voor vrijheid en gelijkheid, maar ziet een innerlijk conflict in Europa, het conflict tussen “the spirit of the West and the Nation of the West” (Tagore, 1917: 46). “Europe is supremely good in her beneficence where her face is turned to all humanity; and Europe is supremely evil in her maleficent aspect where her face is turned only upon her own interest” (Tagore, 1917: 14).

Europa, als een Jekyll and Hyde? En welk drankje heeft Europa dan gedronken? Volgens Tagore is het drankje dat het interne conflict van Europa naar boven heeft gebracht “the age of intellect, of science” (Tagore, 1917: 56). Tagore stelt de opkomst van het mechanistisch wereldbeeld en het gewicht dat de rede in de schaal heeft weten te leggen bij het menselijk handelen verantwoordelijk voor dit dubbele gezicht van Europa: “Our intellect is an ascetic who wears no clothes, takes no food, knows no sleep, has no wishes, feels no love or hatred or pity for human limitations, who only reasons unmoved through the vicissitudes of life” (Tagore, 1917: 56/57). De  rede is volgens Tagore een exponentiële kracht van vooruitgang en voorspoed, en omdat het een “”detached part of man” is, “it soon outruns the complete humanity” (Tagore, 1917: 57).

De mens als sociaal wezen delft dan het onderspit, politiek en commercie krijgen de overhand, en in de 19e eeuw veranderden de Europese samenlevingen in “Nations” die , geredeneerd vanuit hun eigenbelang, zich het recht toekenden om andere landen en volkeren uit te sluiten, te onderdrukken en uit te buiten: “The political civilization which has sprung up from the soil of Europe and is overrunning the whole world, like some prolific weed, is based upon exclusiveness. It is always watchful to keep the aliens at bay or to exterminate them. It is carnivorous and cannibalistic in its tendencies, it feeds upon the resources of other peoples and tries to swallow their whole future.” (Tagore, 1917: 8).

 

Polanyi en Tagore

Tagore en Polanyi komen min of meer uit op dezelfde eindconclusie, namelijk dat de samenwerking (Tagore) of inwerking op elkaar (Polanyi) van politiek en commercie heeft geleid tot staten die zich uitsluitend richten op het eigenbelang en daarbij het belang van andere staten en andere volkeren volledig ondergeschikt laten zijn. Polanyi dicht daarbij de politiek en de commercie verschillende rollen toe, namelijk de commercie als de initiator van het eigenbelang en de politiek, in eerste instantie, als de beschermer tegen de excessen veroorzaakt door die commercie. Tagore ziet de commercie en de politiek als twee handen op een buik, vooruitgestuwd door de ontwikkeling van de wetenschap, door het primaat van de rede. Tagores positie moet denk ik vooral gezien worden in het licht van de kolonisatie van India, dat was het enige gezicht dat zich aan Tagore liet zien, het gezicht van wat Tagore de Nation noemt. Maar Polanyi wijst er echter op dat staten niet persé expansionistisch en imperialistisch zijn en dat nu juist “capitalism started with a long period of contractionism; only late in its career did the turn toward imperialism happen” (Polanyi, 1944: 221). Tot voorbij de eerste helft van de 19e eeuw werden de koloniën eerder als kostenpost dan als wingewest bekeken. Maar wat heeft dan de door Tagore beschreven uitbuiting door kolonialisme veroorzaakt? En waarom stelt toch ook Polanyi dat “(..) (states, cv) will eat up their neighbors without moral conpunction” (Polanyi, 1944: 221)?

De analyse van Tagore en Polanyi gaan grotendeels gelijk op, beiden wijzen op het effect van globalisering. Polanyi wijst er op dat pas na de Europese  landbouwcrisis en de Great Depression van 1873-1886 internationale expansie van de commercie echt op gang kwam door “the increase in the rythm and volume of international trade as well as the universal mobilization of land” (Polanyi, 1944: 223) en dat nationale economieën daar ook van afhankelijk werden. Deze afhankelijkheid leidde er toe dat de strikte scheiding tussen politiek en commercie wel moest worden opgeheven en de internationale handel zijn weg verder vond onder volledig gewijzigde omstandigheden. Omstandigheden die door de double movement werden gevormd, in de zin van tariefmuren en andere de handel beschermende maatregelen. De internationalisering maakte dat dus dat de politieke bescherming zich ook ging uitstrekken tot de commercie zelf, weliswaar met het doel om de eigen bevolking te beschermen, maar de aard van de double movement veranderde. De double movement vanaf dit punt is in wezen het mechaniek van exponentiële groei van macht gericht op het eigenbelang dat Tagore aan de Nation toedicht.  Tot zover lopen de analyses van Polanyi en Tagore parallel.

Polanyi voegt hier nog een belangrijk element aan toe, dat hij de  “paradox of Imperialism” noemt: “The economically inexplicable and therefore alledgedly irrational refusal of countries to trade with one another indiscriminately, and their aiming instead at the acquisition of overseas and exotic markets” (Polanyi, 1944: 224). Deze paradox wordt volgens Polanyi veroorzaakt door de problemen met wisselkoersen, op hun beurt veroorzaakt door verschillen in economische ontwikkeling tussen landen. Hiertoe werd destijds een innovatieve vondst gedaan: de gouden standaard. De invoering van de gouden standaard markeert het einde van de economische tijd daarvoor en het begin van een geheel nieuwe economische periode met een mondiale impact. De gouden standaard bracht een groot voordeel: vaste wisselkoersen. Maar had ook een belangrijk nadeel. De gouden standaard verhinderde namelijk dat landen hun eigen munt kunnen devalueren, en de prijs die een land dat achterop raakt dan moet betalen voor vaste wisselkoersen is grote werkloosheid, lage lonen, armoede dus[5]. In een wereld van tariefmuren, handelsbelemmeringen en geen monetaire vrijheden, kwam de kolonie daarom op als belangrijk wingewest, als bron voor welvaart die de armoede in de moederlanden grotendeels kon ledigen.Volgens Polanyi was dit het echter een onhoudbaar proces dat de wereld uiteindelijk in twee oorlogen gestort heeft.

Tegenover deze sombere analyse zet Polanyi in het laatste hoofdstuk van zijn boek op hoofdlijnen een oplossingsrichting neer. Hij benadrukt daarbij dat niet de enorme vooruitgang van de mensheid via de industrialisering het probleem was: “The congenital weakness of nineteenth-century society was not that it was industrial but that it was a market society” (Polanyi, 201: 258). Polanyi benadrukt dat het geloof in de utopie van de vrije markt en de pogingen een vrije markt te realiseren de problemen hebben veroorzaakt. Zijn oplossingsvoorstel is dan ook in lijn met zijn theoretische analyse van het deficit van de vrije markt, namelijk dat deze alleen kan bestaan bij de gratie van de “fictitious commodities, labor, land and money”. Polanyi betoogt dat deze drie voor de economie noodzakelijke factoren uit de markt gehaald moeten worden. Polanyi erkent dat dit een radicale gedachte is, maar niet radicaler dan het destijds naar de markt brengen van arbeid, grond en geld. Hij realiseert zich dat landen dit in de moderne wereld niet meer zelfstandig kunnen regelen. De globalisering vereist daarom democratische instituties die tegenwicht kunnen bieden aan de werking van de markt, aan het niet duurzame karakter van de markt, niet alleen vanuit het oogpunt van milieu en overbenutten van de aarde, maar ook vanuit moreel perspectief. Volgens Polanyi is de vrije markt in moreel opzicht niet houdbaar, omdat de prijscorrecties en crises die eigen zijn aan de vrije markt, bevolkingen elke zoveel jaar in een diep dal doen belanden met alle ellende van dien.

Tagore steekt zijn oplossingsvoorstel dieper in, hij pleit voor een algemene herijking van de westerse moraal door het belang van sociale relaties tussen mensen te benadrukken. Hij is het eens met Polanyi dat de mens in wezen een “social being” is en niet uitsluitend gericht is op zijn eigenbelang. Hij ziet daarin een rol weggelegd voor India als gidsland, zijn land dat geen politieke maar een sociale geschiedenis heeft. Een land dat nooit een Nation is geworden en dat ook niet wil worden, een land waar verschillende volkeren al meerdere millennia vreedzaam samenleven en waar er geen “vreemde” volkeren zijn. De sociale geschiedenis van India is duurzaam gebleken, terwijl de politieke geschiedenissen, zo stelt Tagore, dat niet zijn; de politieke beschavingen van de Grieken en de Romeinen zijn ten onder gegaan, de sociale Aziatische beschavingen duren voort, aldus Tagore.

Het terugbrengen van de westerse beschavingen in het besef dat de mens een sociaal wezen is, biedt volgens Tagore de kans op verdere ontwikkeling van de wereld en van alle volkeren, want “there are grave questions that western civilization has presented before the world but not completely answered. The conflict between the individual and the state, labour and capital, the man and the woman; the conflicht between the greed of material gain and the spiritual life of man, the organized selfishness of nations and the higher ideals of humanity; the conflict between all the ugly complexities inseparable from giant organizations of commerce and state and the natural instincts of man crying for simplicity and beauty and fulness of leisure – all these have to be brought to a harmony in a manner not yet dreamt of.” (Tagore, 1917: 6).

Polanyi en Tagores visies kunnen als idealistisch of praktisch onuitvoerbaar worden weggezet, maar dat laat naar mijn menig onverlet de kracht van hun beider analyses en het inspirerende van hun beider oplossingsvoorstellen. Zo extreem als Polanyi het voorstelt lijkt het mij niet haalbaar de fictitious commodities van de markt te halen, maar landen waar dat tot op zekere hoogte wel gedaan is (met name in noord-west Europa) scoren beter op punten als een gelijkere inkomensverdeling en onderling vertrouwen[6]. Mohammed A. Quayum verbonden aan de International Islamic University Malaysia zegt het volgend over Tagores visie: :”Ït calls for a humanitarian intervention into present self-seeking and belligerent nationalism, through the introduction of a moral and spiritual dimension in the institution. It also requires us to step out of history to reinvent a new future for ourselves that respects human dignity and see every individual and nation as equals, in a true democratic spirit. The risks for us not to take up Tagore’s trajectory are too high” (Quayum, 2004, Conclusion). Quayum haalt Paul Hirst aan die in zijn essay “War in the Twenty-Firsth Century”[7] waarschuwt voor een “conflict ridden international environment” met het vooruitzicht op meerdere conventionele oorlogen tot aan beperkte nucleaire oorlogen.

Polanyi en Tagore schreven beiden in een tijd dat de wereldorde qua organisatie nog niet veel, of niet veel meer, om het lijf had. Pas na de tweede wereldoorlog zijn er instituties in het leven geroepen die internationaal konden handelen, die internationaal het economisch evenwicht moesten bewaken (met name IMF en Wereldbank na de instelling van Bretton Woods) of op meer indirecte wijze invloed hadden zoals de Verenigde Naties  met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948 en de Decent Work Agenda (1999) van de International Labour Organization. Ook konden ze nog niet bevroeden hoe de wereld zich zou gaan voegen naar de ideeën van het neo-liberalisme met auteurs als als Hayek[8] en Ayn Rand, in wiens werken freedom of coercion centraal staat, de rol van de overheden terug gedrongen werd, deregulering het credo was, met de kredietcrisis als voorlopig hoogtepunt.

Laten we daarom nu eens kijken naar het in de inleiding genoemde artikel van de contemporaine auteur Thomas Pogge en zijn visie op “The Rich and the Poor” van de 21e eeuw leggen naast het werk van Tagore en Polanyi.

 

Human Rights downstream

Pogge komt op voor de armen van onze wereld. Met een duizelingwekkende reeks getallen laat hij de status quo in 2005 zien, een greep hieruit: 44% van de wereldbevolking leeft onder de door de Wereldbank gestelde armoedegrens van een jaarinkomen van $ 1.058, bijna 3 miljard mensen zijn niet aangesloten op een rioolsysteem, een miljard mensen hebben geen adequate huisvesting, ongeveer 250 miljoen kinderen tussen 5 en 14 jaar werken voor de kost, meestal onder erbarmelijke omstandigheden, één derde van de jaarlijkse sterfgevallen in de wereld, 18 miljoen mensen per jaar, is te relateren aan de gevolgen van bittere armoede (Pogge, 2005: 719).

Pogge stelt dat vooral de huidige wereldorde hier debet aan is: “(..) the affluent countries, which are ruthlessly advancing their own interest and those of their corporations and citizens, designing and imposing a global institutional order that, continually and foreseeably, produces vast excesses of severe poverty and premature poverty deaths””(Pogge, 2005: 722).

Is dit nu dezelfde positie die Tagore inneemt? Niet helemaal. Pogge legt meer dan Tagore de verantwoordelijkheid bij de politieke instellingen. Die hebben verzuimd de juiste wereldorde te scheppen, of deze waar nodig bij te schaven, waardoor de vrije markt logischerwijs, zo lijkt Pogge te willen zeggen, zijn weg vindt in de nu geldende wereldorde en dus rechtsgeldig gebruik maakt van mogelijkheden die de overheden binnen wet- en regelgeving de markt biedt. Pogge spreekt een – negatief – moreel oordeel uit over de overheden, maar ten aanzien van de vrije markt wil hij geen morele positie innemen. In het derde deel van zijn artikel benadrukt hij in die lijn dat het hoofdzakelijk de wet- en regelgeving ten aanzien van economische transacties is die de omvang van de armoede in de wereld bepaald, onder meer omdat “morally succesful rules are so much easier to sustain than morally succesful conduct” (Pogge, 2005: 742). Pogge toont daarbij begrip voor de werking van de markt, waar morele vraagstukken kostprijsverhogend werken. Pogge beziet de markt als een moreel neutraal mechanisme en wil morele doelen binnen die markt op pragmatische wijze oplossen door wet- en regelgeving. In feite wil hij een level playing field organiseren, waardoor een “morele kostprijs” geen issue meer is.

Pogge neemt dus ook een aanmerkelijk andere positie in dan Polanyi, die, zoals we hiervoor zagen, nu juist de vrije markt als de boosdoener aanwijst en er op wijst dat de overheid telkens weer zoveel mogelijk bescherming biedt aan haar bevolking. Polanyi heeft er weliswaar ook op gewezen dat overheden door de internationalisering ten aanzien van “vreemde” volkeren wel met de vrije markt gelijk optrokken, met name bij de kolonisatie, maar dat was in zijn analyse een soort onvermijdelijke noodsprong van overheden om de eigen bevolking te beschermen, en dat dat noodzakelijk was, was het gevolg van het destructieve karakter van de vrije markt. Polanyi gelooft ook niet dat de “double movement” een duurzaam evenwicht tot stand kan brengen. Pogge lijkt aan de “double movement” wel een dergelijke rol toe te kennen en gelooft in de maakbaarheid van de wereld in combinatie met een vrije markt.

Maar wat wil Pogge nu? Pogge wil de wereldorde aanpassen door de geldende wet- en regelgeving zodanig bij te stellen dat de armoede maximaal wordt verminderd tegen zo laag mogelijke kosten voor de rijke ontwikkelde landen. Hij vindt dat de rijke landen moreel verplicht zijn hieraan mee te werken, omdat de huidige wereldorde de mensenrechten van de armen met voeten treedt. Het gaat hem dan met name om artikel 28 van Universele verklaring van de Rechten van de Mens: Een ieder heeft recht op het bestaan van een zodanige maatschappelijke en internationale orde, dat de rechten en vrijheden, in deze Verklaring genoemd, daarin ten volle kunnen worden verwezenlijkt.

Het is volgens Pogge met name de internationale orde die de sociaal-economische rechten schendt (artikel 25, UVRM) en daardoor uiteindelijk ook de politieke en burgerlijke rechten, omdat om die te kunnen verwezenlijken een goed werkende samenleving nodig is, met democratie, met een goed rechtsysteem, met goede scholing, met gezonde voeding en met adequate medische voorzieningen. Hij stelt (Pogge, 2005: 722, mijn vertaling):

  1. Aanpassing van het ontwerp van de wereldorde heeft een significante invloed op de ontwikkeling van ernstige armoede in de wereld;
  2. Het huidig ontwerp van de wereldorde is niet optimaal, ook niet bijna optimaal in termen van het bestrijden van armoede;
  3. Het huidig ontwerp van de wereldorde faalt niet alleen in het verlichten en terugdringen van armoede, maar veroorzaakt ook daadwerkelijk armoede;

Overtuigend weerlegt hij de  argumenten tegen deze drie stellingen. Hij laat zien dat het niet aan de maatschappelijke orde van de arme landen zelf ligt, waardoor ze arm blijven, maar aan de internationale orde. Hij maakt aannemelijk dat de uitkomst van onderhandelingen tussen de landen van de wereld over de inrichting van de wereldorde in het algemeen in het voordeel van de rijke en machtige landen zal zijn en hij laat zien op welke wijze de wereldorde daadwerkelijk armoede veroorzaakt. Hij wijt dit aan de assymetrie tussen de nationale factoren die de armoede van een land veroorzaken en de internationale factoren die daar invloed op hebben: “While national institutional arrangements and policies in the poor countries have very little influence on the design of the global order, the latter has a great deal of influence on the former” (Pogge, 2005: 735). Pogge geeft hiervan drie onderling samenhangende voorbeelden.

In de eerste plaats wijst hij er op dat pas in 1999 er internationaal iets gedaan is aan de heersende praktijk dat ondernemingen buitenlandse ambtenaren omkopen, toen is de OECD convention on Combatting Bribery of Foreign Public Officials in International Business Transactions aangenomen. Pogge wijst er op dat omkoping onderdeel is van een groter probleem, namelijk dat in minder ontwikkelde landen economische elites doorgaans twee handen op een buik zijn met regimes die zeker niet altijd democratisch zijn. Hier geeft hij zijn tweede en derde voorbeeld: het resource privilege en het borrowing privilege. Beide privileges behelzen een internationale afspraak die elke heerser van een land, of deze nu de macht democratisch heeft verkregen of niet, dat land juridisch kan binden. De door een heerser aangegane overeenkomsten in verband met exploitatie of verkoop van de grondstoffen van ‘zijn’ land worden door het resource privilege juridisch erkend. Het borrowing principle geeft de heerser de mogelijkheid geld te lenen namens ‘zijn’ land.  Eigenlijk namens ‘zijn’ volk, want als de niet democratische heerser is afgezet, is het achterblijvende volk juridisch wel gehouden ‘zijn’ leningen af te lossen.

Het borrowing principle draagt bij aan armoede omdat het bijdraagt aan de opkomst van onderdrukkende en corrupte elites in ontwikkelingslanden. Pogge geeft hiervoor drie redenen. De eerste is dat heersers zichzelf gemakkelijk kunnen financieren door steeds geld te lenen, ten tweede is het zo dat opvolgende democratische regimes gebukt gaan onder de aflossing van de leningen van de corrupte voorgangers en ten derde voert Pogge aan dat het borrowing principle in feite een incentive is om een regering omver te werpen en de macht te grijpen.

Opvallend, echter, is dat Pogge op geen enkele manier de vrije markt, laat staan de ideologie achter de vrije markt, als een veroorzaker van armoede aanwijst. Nee, Pogge richt zich uitsluitend op wet- en regelgeving van de internationale orde, die moet worden aangepast, zodat tegen zo gering mogelijke kosten effectieve stappen tegen armoede gezet kunnen worden. Hij noemt dit “The Promise of Global Institutional Reform” (Pogge, 2005: 742).  Pogge maakt duidelijk dat deze beperkte taakopvatting een strategisch doel dient. Hij is uiterst voorzichtig de internationale orde niet te overvragen en legt de mensenrechten zeer beperkt uit “as imposing only negative duties” (Pogge, 2005: 720), opdat hij zoveel mogelijk draagvlak houdt voor zijn morele uitgangspunten.

 

Two Nations? People just don’t (really) care.

Het laatste strategische argument van zijn betoog is interessant en brengt Tagore weer in het verhaal. Pogge laat zien weinig heil te verwachten van een moreel draagvlak voor zijn hervormingsagenda. Hij ziet meer heil in het veranderen en aanvullen van de internationale verdragen en daarmee samenhangende wet- en regelgeving, iets dat van een ieder verlangd mag worden omdat we ons daartoe via de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens toe verplicht hebben. Tagore zou hem tegenwerpen, dat dat alleen maar nog meer politiek is, nog meer rationeel, en daarmee naïef, geloof in maakbaarheid. Nog meer scientisme, dat nu juist de voedingsbodem van hebzucht, van uitsluiting en uitbuiting, en de voedingsbodem van, zoals Tagore dat noemt, de “Nation” is. Polanyi zou Pogge tegenwerpen dat als hij niet echt aan het systeem van de vrije markt zelf iets durft te sleutelen, met name het onttrekken van de fictitious commodities aan die vrije markt, dat dan zijn moeite voor niks zal blijken te zijn.

Ik wil Pogge graag het voordeel van de twijfel geven, ook al ben ik minder optimistisch dan hij over de maakbaarheid van de wereld door het aanpassen van wet- en regelgeving. Mijn persoonlijke ervaring, ik ben 20 jaar fiscalist geweest, is dat “de markt” zich altijd om wet- en regelgeving heen zal willen werken. Bovendien leidt gedetailleerdere wet- en regelgeving en steeds strikter toezicht daarop tot  een schijnmoraal: zolang we aan de regels voldoen dan doen we het goed, niemand wil of mag gaandeweg de regels zelf nog ter discussie stellen. Met Polanyi ben ik het niet eens dat de vrije markt utopisch van karakter is; fictitious commodities kunnen volgens mij wel duurzaam verhandeld worden op de markt, op een ingebedde manier zoals we dat in noordwest Europa de afgelopen 60 jaar hebben gedaan. Ik trek de morele grenzen van de vrije markt ruimer dan Polanyi. De double movement op zich is denk ik echter niet voldoende voor een duurzaam evenwicht en ik zie daarom Tagores pleidooi voor een terugkeer naar het besef dat de mens in de eerste plaats een sociaal wezen is, dat sociale relaties de beste bescherming bieden en dat zingeving essentiëel is als de noodzakelijke aanvulling daarop.

Hoe dan het vraagstuk van de “Two Nations” op te lossen? Misschien wel door een soort triple movement: Pogge, Polanyi en Tagore gecombineerd. Een evenwichtsmodel waarbij onze  politieke macht, onze  economische macht en onze menselijke macht elkaar in evenwicht houden. Dat wij die drie aspecten van ons menselijk bestaan, waarbij wij telkens – wisselend – die drie verschillende petten op hebben, weten te integreren in wat ik de Trias Economica[9] zou willen noemen.  Dat we in ons economisch en politiek handelen ook een morele norm meenemen, dat we die niet thuis laten als we aan het werk gaan of gaan winkelen. Want zolang we nog dvd-spelers van drie tientjes kopen, kan het verschil tussen arm en rijk ons klaarblijkelijk toch niets schelen: Two Nations? People just don’t really care….yet.

Christiaan Vos, Amsterdam 22 november 2012

 


Gebruikte literatuur

 

Pogge, T.W.M. (2005). Recognized and Violated by International Law: The Human Rights of the Global Poor, Leiden Journal of International Law, 18 (2005), pp. 717-745

 

Polanyi, K. (1944, heruitgave 2001). The Great Transformation, The Political and Economic Origins of Our Time, Beacon Press, Boston Massachusetts, VS.

 

Quayum, M.A. (2004). Imagining “One World”: Rabindranath Tagore’s Critique of Nationalism, International Islamic University Malaysia.

 

Tagore, R. (1917, heruitgave 2010). Nationalism, All the great nations of Europe have their victims in other parts of the world, Penguin Books, Londen, Engeland.

 



[1] Ontleend aan T. Pogge, 2005, pag. 719

[2] Thomas Pogge (Duitsland 1953) is Professor (Adjunct) of Law verbonden aan Yale Law School en de Leitner Professor of Philosophy and International Affairs verbonden aan Yale University. Hij is Research Director van het Centre for the Study of Mind in Nature van de universiteit van Oslo. Het in dit paper behandelde artikel schreef hij toen hij philosophy and political science doceerde aan de Columbia University.

[3] Karl Polanyi (Hongarije 1886- Canada 1964) vluchtte na de “Anschluss”  vanuit Wenen naar Engeland om uiteindelijk in de VS aan te komen waar hij in Vermont The Great Transformation schreef. In de jaren na WO II doceerde hij aan de Columbia University.

[4] Rabindranath Tagore (India 1861-1941), toneelschrijver, dichter, nobelprijswinnaar 1913, oprichter Visva-Bahrati University.

[5] Opvallend is de gelijkenis van de problemen van de gouden standaard in de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw, met de recente problemen van de eurozone waar landen als Griekenland en Spanje niet mee kunnen komen, geen eigen munt hebben die gedevalueeerd kan worden, dus ook leiden onder massale werkloosheid en sterk verlaagde lonen.

[6] Ontleend aan Bo Rothstein, The Quality of Government, Corruption, Social Trust and Inequality in International Perspective, 2011, The university of Chicago Press, Chicago and London.

[7] Hirst, P. “War in the Twenty-First Century. ” Paper for the Swedish Institute of International Affairs, Stockholm. www.pitt.edu/~cultural/Hirst.pdf., geciteerd in Quayum 2004.

[8] Polanyi keert zich In The Great Transformation, weliswaar zonder zijn naam te noemen, fel tegen het denken van Hayek; naar ik vermoed  tegen Hayeks betoog in The Road to Serfdom.

[9] De term Trias Economica is geïnspireerd op de door Montesquieu beschreven evenwichtsleer van de spreiding der machten,  die later in de leerboeken bekend is geworden onder de naam Trias Politica.