Internationale belastingplanning (1/6): A Race to the Bottom?

Recent weer eens in het nieuws, Apple heeft maar 1,9% belasting betaald in 2011. Maar ook Amazon, Google en Starbucks kennen hun weg in internationale belastingvermijding. Zij werden daarover deze week gehoord door een Britse parlementaire onderzoekscommissie.

Het heffen van belasting is het recht van nationale en lokale overheden, zo is dat afgesproken, of beter gezegd dwingend vastgelegd in wet en regelgeving. Een overheid mag belasting heffen van haar inwoners en soms ook van niet inwoners. De Verenigde Staten heffen bijvoorbeeld belasting van alle VS-staatsburgers, waar ook ter wereld ze wonen. De VS zijn daarin echter een uitzondering, de andere landen in deze wereld heffen van niet-inwoners alleen dan belasting als die, anders dan door er te wonen, een bepaald belang bij dat land hebben, bijvoorbeeld doordat zij eigenaar zijn van in dat land staand vastgoed of een in dat land gedreven onderneming.

In internationale verhoudingen roepen deze, op zich eenvoudige, uitgangspunten toch een flink aantal problemen op. Als eerste de vraag wie wel en wie niet als inwoner van een land moeten worden aangemerkt. En wat als iemand in twee landen lijkt te wonen? Welk land mag dan belasting heffen? En ten aanzien van niet-inwoners: wanneer wordt een onderneming in een bepaald land gedreven en hoe moet de winst van een onderneming voor de belastingheffing  worden verdeeld over de verschillende landen waar het een vestiging heeft? Voor dit soort vragen bieden internationale overeenkomsten, verdragen, ter vermijding van dubbele belasting antwoorden. Doel van deze verdragen is helder te krijgen welk land over welk deel van de winst of het inkomen mag heffen, opdat er niet dubbel geheven wordt maar nadrukkelijk ook om te voorkomen dat er niets geheven wordt.

Hoewel deze belastingverdragen allemaal wel op elkaar lijken, er is een OESO model dat veel gebruikt is, zijn alle verdragen verschillend en uitkomst van bilaterale onderhandelingen tussen telkens twee afzonderlijke landen. Elk land tracht uit deze onderhandeling uiteraard het beste resultaat naar voren te halen. Maar, wat wordt bij dit soort onderhandelingen nu als het beste resultaat gezien? Uiteraard streven landen naar een zo hoog mogelijke belastingopbrengst, maar realiseren zich ook dat van een hoge belastingdruk geen wervende kracht uitgaat op het internationale bedrijfsleven. Men maakt dan de afweging: gaan we voor een hoge belastingdruk met wat minder economische ontwikkeling, of zetten we in op een lage belastingdruk met een zo hoog mogelijke economische ontwikkeling. De meeste landen gokken op het laatste model en hopen dat ze door het aantrekken van grote ondernemingen en soms hele bedrijfstakken met een lage belastingdruk toch een hogere totaalopbrengst realiseren.

Deze internationale belastingconcurrentie heeft sommige landen grote voordelen opgeleverd, zoals bijvoorbeeld Nederland dat zich al sinds het begin van de twintigste eeuw heeft laten gelden als een uiterst slimme speler op dit vlak. Andere landen als Ierland hebben ook geprofiteerd van een sterk aangezette belastingconcurrentie, maar toen bleek dat dat ze met hun lage tarieven toch niet voldoende belasting wisten binnen te halen voor de collectieve voorzieningen liep het daar ernstig spaak. De tarieven moesten omhoog en de bedrijven  wisten niet hoe snel ze Ierland de rug moesten keren en vertrokken naar het volgende land dat haar belastingtarieven weer in de uitverkoop deed.

Zou internationale belastingsamenwerking niet veel beter zijn dan deze internationale belastingconcurrentie? Je zou zeggen van wel dan zou elk land bijvoorbeeld eenzelfde en voldoende solide tarief kunnen heffen, waardoor elke vorm van internationale belastingplanning overbodig wordt. Waarom is deze samenwerking er dan niet? Daar ga ik verder op in, in mijn volgende column: (belastingvermijding 3/6) De (belasting)markt van landen.